De "bloedtheologie" in Genesis

IV

 

Het dierenoffer van Abraham

 

Een goddelijke uitnodiging

We drukken hierbij Genesis 15 : 9-12 voor u af:

"En Hij zeide tot hem: Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. Hij haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet. Toen de roofvogels op de dode dieren neerstreken, joeg Abram ze weg".

Opnieuw is deze beschrijving uitvoeriger dan alle vorige. Het is erg verleidelijk hier eerst over te gaan tot een bespreking van de achtergrond van dit verbondsoffer. Het werpt een verrassend licht, niet alleen op het verleden, maar ook op de toekomst van het volk IsraŽl. Zo God wil, zullen we daaraan echter een afzonderlijk artikel wijden, daar het ons te ver van het thans behandelde onderwerp zou voeren. We volstaan nu met de opmerking dat Abraham, nadat hij reeds vele malen in vroeger tijden van God beloften had ontvangen, opnieuw in de aanvang van dit hoofdstuk een grote en stellige toezegging van God heeft ontvangen. Ondanks het feit dat van alle vroeger gedane beloften nog niets werkelijkheid was geworden, grijpt Abraham in het geloof God bij zijn Woord en verzoekt Hem om een teken, een garantiebewijs, een bezegeling van Gods beloften.

God geeft als antwoord daarop dit merkwaardig verbondsoffer. Het is een antwoord, dat in prachtige symboliek heenwijst naar de grondslag waarop alle beloften van God rusten. Het getuigt van Hem "in wie alle beloften Gods ja en amen zijn".

Vijf diersoorten worden ons bij dit offer voorgesteld.

Als ons uitgangspunt juist is, dat de bloedige offers wijzen op het offer van Christus, houdt de vermelding van deze vijf diersoorten ongetwijfeld een goddelijke uitnodiging in, om het werk van Christus vanuit vijf verschillende gezichtspunten te bezien.

We mogen daarbij verwachten dat als God ons uitnodigt kennis te nemen van zijn grondslag tot zegen van Abraham en zijn geslacht, Hij Zijn onderwijs zal beginnen met dat, wat voor zijn hart het meest waardevol is,

Wat leert ons het eerste offerdier?

 

De driejarige jonge koe

Ook van de symbolische profetie, zoals deze in de verschillende dierenoffers is gegeven, geldt het Schriftwoord, dat geen enkele profetie "van eigen uitlegging" is. De sleutel tot het verstaan van de symboliek, zal de Schrift ons zelf moeten geven, willen we niet op een terrein van wilde en onbetrouwbare speculaties terechtkomen. We zullen trachten te vinden in welke geest de dieren ons in de bijbel worden voorgesteld. Wellicht is het goed op te merken dat in het oosten de koe niet, zoals in ons land, uitsluitend voor de melkproduktie of de slacht wordt aangehouden. Daar vervult de koe ook een belangrijke taak als arbeidskracht op de boerderij.

Het is in dit laatste karakter, dat het dier ons in de bijbel enkele malen wordt voorgesteld.

We wijzen op de bekende uitspraak van de apostel Paulus in 1 Kor. 9 : 9 en 10:

"Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Zorgt God voor de ossen? Of zegt Hij dit alleszins om onzentwil? Want om onzentwil is geschreven, dat de ploeger op hoop moet ploegen en de dorser moet dorsen, op hoop van erin te delen"

en in 1 Tim. 5 : 18:

"Want de Schrift zegt: een dorsende os zult gij niet muilbanden."

De koe of de os typeert dan ook de geduldige, volhardende dienstknecht. Het behoeft ons niet te verwonderen, dat dit het eerste beeld is, waaronder ons de persoon en het werk van de Heer Jezus worden voorgesteld. Reeds bij de bespreking van het offer van Noach wezen we op Fil. 2 :5-9. Daar vinden we na de wens: "die gezindheid zij in u, welke ook in Christus Jezus was", een beschrijving van Hem, "die de gestalte van een slaaf heeft aangenomen" en "gehoorzaam werd tot de dood".

In aansluiting daarop willen we dan nog herinneren aan de woorden, door de Geest van Christus gesproken en opgetekend in Ps. 40 : 8-9:

"Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste."

Voorts zegt ons de HebreeŽnbrief dat Hij gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij geleden heeft. Als de Zoon van God had de Heer Jezus slechts te gebieden, te wenken en myriaden van engelen dienden Hem. Maar hoewel Hij Zoon was, leerde Hij gehoorzaamheid. ja, Hij werd gehoorzaam tot de dood. Dit laatste wordt door de Heilige Geest nog eens extra onderstreept met de woorden: Ja, tot de dood des kruises".

Deze liefde en toewijding van de Zoon tot de Vader stelt God als het belangrijkste op de voorgrond. Het is dit aspect van het kruis, waarop ongetwijfeld door de koe wordt heengewezen.

"Daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd, en hem de naam gegeven, die boven alle naam is, opdat in de naam van Jezus zich zou buigen alle knie van die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders". (Fil. 2 : 9-11).

Om niet in herhaling te vervallen, verwijzen we naar het verder over dit onderwerp geschrevene onder "Noachs offer", in de pericopen: "een lieflijke reuk" en: "voor mij - niet het belangrijkste".

 

De geit

Het tweede dier wijst op een geheel andere zijde van het kruis. Dit dier, aan wiens niets sparende vraatzucht de eertijds vruchtbare Saharavlakte zeer waarschijnlijk voor een belangrijk deel haar huidige woestenij te danken heeft, wordt in de bijbel vaak als offerdier genoemd. Ook in ander verband wordt het soms vermeld, en dan met een symbolische betekenis.

In hoofdzaak wordt steeds een geit genoemd in verband met het "zondoffer".

Wanneer een vorst in IsraŽl had gezondigd, moest hij een geitebokje offeren. (Lev. 4 :22, 23). Toch had zo'n man ongetwijfeld wel een groter dier, bv. een koe kunnen bekostigen. Maar blijkbaar typeert de geit het "zondoffer". (Zie ook Num. 7 : 16; 15 : 24; 28 : 15; 29:5).

 

Verschil tussen "zond-" en "schuld"-offer

Het boek Leviticus verschaft ons een duidelijk inzicht in de betekenis van het zondoffer en het schuldoffer. Het blijkt uit dit boek, dat er een duidelijk verschil is tussen beide. Een "zondoffer" stond in eerste instantie in verbinding met zonden, zonder bepaalde opzet begaan. Een "schuldoffer" kwam in aanmerking, wanneer als gevolg van de zonde, van een pertinente schuld jegens God of de naaste sprake was, Zeer licht beging de IsraŽliet zonder opzet bepaalde fouten. Dat vloeide voort uit het feit, dat een mens nu eenmaal van nature niet in staat is, aan Gods heilige eisen te voldoen. In dergelijke gevallen moest hij een zondoffer brengen. Door zijn hand te leggen op de kop van het dier, maakte hij zich daarmee ťťn, en gaf daardoor als het ware te kennen, dat dit dier als zijn plaatsvervanger zou worden gedood.

De geitebok is dan ook in de Schrift een beeld van de zondige natuur van de mens. Het dier wijst daardoor tevens heen naar de macht, die in en achter die natuur schuil gaat: de zonde. Vandaar de naam "zondoffer".

Was er echter niet alleen sprake van een overtreding zonder meer, maar bracht een overtreding een bepaalde schuld teweeg, hetzij tegenover God dan wel tegenover de naaste, dan moest een schuldoffer worden gebracht, ook al was de overtreding zelf zonder opzet begaan. Bij het schuldoffer ligt de nadruk dus meer op de zondige daad en haar gevolgen, bij het zondoffer meer op de oorzaak zelf, de zonde als macht.

 

De geit staat in relatie tot de zonde

Dat het bovenstaande niet uit de lucht gegrepen is, wordt behalve uit de bovengenoemde schriftplaatsen, nog eens bizonder duidelijk uit het gebruik, dat de Heer Jezus Zelf van dit beeld maakt.

In Matth. 25 geeft de Heiland ons een schildering van het oordeel over de levenden, zoals het bij zijn wederkomst op aarde zal plaats hebben. Alle volkeren zullen dan voor Hem verzameld worden,

"en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt, en hij zal de schapen aan zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan zijn linker". (Matth. 25 :32, 33).

"... dan zal hij ook zeggen tot hen, die aan zijn linkerhand zijn: Gaat weg van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is". (Matth. 25:41).

Ook hier stelt de (geite-) bok de zondaar voor, die niet wederom geboren werd.

Het tweede offerdier illustreert dan ook op prachtige wijze de betekenis van het kruis t.o.v. de kwestie van de zonde en de zondige natuur. leder mens is verloren vanwege zijn zondige natuur. Even ongevraagd echter als hij er mee geboren is, is ook de Heer Jezus in de wereld gekomen "om zalig te maken wat verloren was".

Niemand behoeft dan ook verloren te gaan omdat hij een zondige natuur heeft. Het is opmerkelijk dat in Openbaring 20 : 12 niet gesproken wordt over de zondige natuur, maar over de zondige werken, waarnaar de mensen geoordeeld worden.

Terwijl heel de schepping zucht onder de gevolgen en de vloek van de zonde, is de Heer Jezus gekomen en heeft door zijn sterven aan het kruis de grondslag gelegd voor de verlossing en vrijmaking van de schepping.

Wat dit echter voor de Heiland heeft betekend, kunnen we slechts enigermate peilen, bij het licht dat de bijbel er op werpt. Hier volgen enkele duidelijke schriftuitspraken:

"Die geen zonde gekend heeft, die heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in hem". (2 Kor. 5:21).

"Nu is hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door de offerande van zichzelf". (Hebr. 9 : 26).

"Want wat hij gestorven is, is hij eens voor altijd der zonde gestorven . . ." (Rom. 6 : 10).

"God, zijn eigen Zoon in gelijkheid van het vlees der zonde en voor de zonde zendende, heeft de zonde in het vlees veroordeeldÖ." (Rom 8 : 3).

We gaven bovenstaande reeks bijbelcitaten zo uitvoerig, omdat zij een helder licht werpen op de betekenis van het "zondoffer".

We zien er uit, dat God - in de drie uren van duisternis - de Heer Jezus heeft behandeld, alsof Hij (die geen zonde gekend had!), de bron van alle kwaad (de zonde) in de wereld was. En de Heer Jezus heeft Zich tot dit offer beschikbaar gesteld, om de zonde te niet te doen. Voor ons als gelovigen betekent dit tevens, dat God in de persoon van de Heer Jezus, onze oude, verdorven, zondige natuur heeft geoordeeld, zodat deze voor God niet meer bestaat. Voor de schepping betekent het, dat eenmaal de vloek der zonde van haar zal worden weggenomen. De schepping verwacht daarom reikhalzend de openbaring van de zonen Gods.

In het volgend artikel willen we nog iets zeggen over de andere dieren in Genesis 15.

J. Ph. F.