De "bloedtheologie" in Genesis

III

 

Noachs offer

 

Deze derde offerande wordt ons in de bijbel in de volgende bewoordingen weergegeven:

"En Noach bouwde een altaar voor de Here, en hij nam van al het reine vee en van al het reine gevogelte en bracht brandoffers op het altaar. Toen de Here de liefelijke reuk rook, zeide de Here bij Zichzelf: Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens... " (Genesis 8:20, 21a).

Hier vinden we een verdere bekendmaking van Gods gedachten inzake het offer. Er wordt in deze verzen niet zonder meer over een dierenoffer gesproken, maar de nadruk valt op "reine dieren" en "rein gevogelte". Achtereenvolgens wordt gesproken over: reine dieren, rein gevogelte, altaar, brandoffer en liefelijke reuk.

Het ligt in onze bedoeling, deze woorden in omgekeerde volgorde te bespreken.

 

"Een liefelijke reuk"

Ieder, die wel eens de reuk van verbrand vlees heeft geroken, weet welk een weeŽ, afschuwelijke stank dit verspreidt. Toch aarzelt de bijbel niet, boutweg van een "liefelijke reuk" te spreken. Maar het is nodig daarbij te letten op wat er aan wordt toegevoegd: "voor de Here".

Het is met deze reuk juist zo gesteld als met de reeds vroeger aangeduide weerzin tegen de gedachte aan een bloedig offer. En de uitdrukking "liefelijke reuk" illustreert glashelder, dat de natuurlijke, menselijke opvatting over het offer wel een geheel andere moet zijn, dan de gedachte die God daarover heeft. Deze uitdrukking bewijst dat we onze natuurlijke opvatting en onze maatstaven moeten herzien, willen we iets van Gods gedachten inzake het offer kunnen begrijpen.

Ook blijkt uit deze woorden, dat het offer niet alleen van betekenis is voor mensen. Het bezit in zichzelf (dus nog los gezien van de resultaten voor de mensen) een grote waarde en betekenis voor God. Hij vindt er blijkens de woorden "brandoffer" en "liefelijke reuk" een bizonder welgevallen in.

Dit toont ons een belangrijk beginsel. Helaas is het aan veel gelovigen onbekend. Dat komt omdat we van nature erg egocentrisch ingesteld zijn. Er is dan ook vrijwel geen christen te vinden, die niet enig besef heeft van de betekenis, die het offer van Christus voor hem zelf heeft. Zelfs de kleinste "baby in het geloof", die eerst gisteren tot bekering kwam, heeft oog voor het feit, dat Christus voor hem stierf en zijn zonden droeg. Die zijde van het werk van Christus hebben we allen het eerst gezien, en overigens nooit genoeg gewaardeerd.

 

"Voor mij" - niet het belangrijkste!

Toch is dit niet het belangrijkste aspect van Christus' kruislijden. Het belangrijkste is, wat dit werk voor God betekent. Welnu - God heeft in het offer van zijn Zoon een volkomen welgevallen gevonden. Van Hem lezen we in HebreeŽn 9 :14:

"Christus, die door de eeuwige Geest zichzelf onberispelijk Gode heeft opgeofferd".

De ganse schepping zucht onder de vloek van de zonde en was in de macht van de vijand. Door zijn offer kon God echter:

"alle dingen tot zichzelf verzoenen, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, door hem, hetzij de dingen die op aarde, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn" (Kol. 1: 20).

Door hun opstand tegen God en hun streven om aan God gelijk te zijn, hadden duivel en mensen God naar de kroon gestoken en zich aan Gods eer vergrepen.

Welnu, de Heer Jezus behoefde het gťťn roof te achten God gelijk te zijn. Maar in Fil. 2 :7 en 8 lezen we van Hem:

"Hij heeft zichzelf vernietigd, de gestalte van een slaaf aannemende de mensen gelijk geworden zijnde; en in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, tot de dood des kruises".

Hij wilde in alles God gehoorzamen, God eren en dienen. De liefde tot de Vader was de drijfveer van zijn leven. Daarom heeft Hij gezegd:

"De drinkbeker, die de Vader mij gegeven heeft, zal ik die niet drinken?" (Joh. 18 : 1 l).

Zo heeft Hij God verheerlijkt en de eer gegeven, die Hem toekwam. Geen wonder, dat dit offer "een liefelijke reuk voor de Here" genoemd wordt.

 

Het altaar

Aan het feit, dat de dieren werden geofferd op een altaar, mag geen conclusie worden verbonden t.a.v. de mens die offert, als zou dit altaar hem enige waardigheid geven. Neen, we moeten het altaar bezien met het oog op het karakter van het offer.

Een altaar is een gewijde verhoging.

Daardoor is het in het oude testament in de eerste plaats een schaduwbeeld van het feit, waarvan de Heer Jezus spreekt in Johannes 12 : 32, 33:

"En ik, zo ik van de aarde verhoogd ben, zal allen tot mij trekken. En dit zeide hij, aanduidende welk een dood hij sterven zou".

Het altaar spreekt van het kruis van de Heer Jezus. Bij een altaar hoort een priester. Zolang de Heer Jezus nog op aarde was, kon Hij geen priester zijn, daar er naar de wet waren, die offerden. Hij was niet uit de stam van Levi en het geslacht van Ašron. Maar niet zodra werd Hij van de aarde verhoogd aan het kruis, of de Heer werd zowel slachtoffer, als ook offerende priester. Zo heeft Hij "zichzelf Gode onberispelijk opgeofferd", op het kruis. Daarmede werd het kruis ook een gewijde plaats, in zo verre, dat nu de boodschap door de wereld gaat:

"Vrede door het bloed des kruises".

Ook wordt de evangelieboodschap sindsdien genoemd: "Het woord des kruises". Dit kruis is het altaar van het christendom. Hoewel materieel verdwenen en als zodanig onbelangrijk, behoort het thans tot de geestelijke werkelijkheden. Tot de "hemelse dingen", waarover de Heer met Nicodemus sprak. Het betekent een terugkeer tot de schaduwen en het is in feite een gruwelijke afgoderij, er thans nog een zicht- en tastbaar altaar voor in de plaats te zetten, zoals in de R.K. kerk gebeurt.

 

Geen verhoging van de mens.

Het altaar diende tot verhoging van het offer, niet tot verheffing van de mens, zoals kan blijken uit Exodus 20 : 26:

"Ook moogt gij niet langs een trap mijn altaar opklimmen, opdat daarop uw schaamte niet zichtbaar worde".

Bovendien mocht het niet getuigen van menselijke zelfwerkzaamheid, zoals blijkt uit Exodus 20 :25:

"Indien gij een altaar van stenen voor Mij maakt, moogt gij het niet bouwen van gehouwen steen; wanneer gij dat met uw houweel bewerkt ontwijdt gij het".

Op deze wijze getuigde het altaar dan ook zeer nauwkeurig van de hemelse werkelijkheid zelf, nl. van het kruis van de Here Jezus. Zo roemen ook duizenden in niets anders dan in het kruis van Christus. Het kruis, dat niets van de menselijke hoogmoed en de menselijke inspanningen overlaat, en waarvan voor de gelovige deze taal uit gaat: "Ik niets Ö HIJ ALLES!"

 

Reine dieren en reine vogels

Sprak het offer van Abel reeds van schuldeloosheid en zondeloosheid, door het woord "rein" wordt ons een nieuwe eigenschap van het grote offer voorgesteld. Hij, die in onze plaats zou sterven, zou ook smetteloos zijn, en van andere oorsprong dan wij mensen. Er staat immers:

"Komt ooit een reine uit een onreine?" (Job 14:4).

Hoewel Hij meer dan 33 jaren in de mensenmaatschappij met al zijn corruptie, zijn in het openbaar geŽtaleerde zonde, zijn onreinheid had geleefd en verkeerd, was er niets, waardoor Hij ook maar in het geringste verontreinigd was geworden. Toen de overste der wereld de hogepriester Jozua zag staan voor de Engel des Heren, kon hij met de vinger wijzen! (Zie Zach. 3 : 1-5). Jozua moest van nieuwe reine kleren worden voorzien. Maar de Heiland kon in waarheid verklaren :

"De overste der wereld komt en heeft in mij niets".

Het is goed daarbij te letten op de uitdrukking: "in mij". Niet slechts uiterlijk ("aan") maar innerlijk was de Heer geheel rein. Dit houdt in, zoals reeds boven aangegeven, dat de Heiland van andere oorsprong moest zijn dan wij. De duivel vond bij Hem en in Hem geen enkel aanknopingspunt, zomin voor verleiding, als ter beschuldiging. Van deze andere afkomst getuigt ook het feit, dat hier zowel dieren als vogels geslacht werden. Maar daarop zullen we nader ingaan bij de bespreking van het vierde offer in Genesis.

J. Ph. F.