"Eniggeborene" en "Eerstgeborene"

slot

 

In Kolosse 1 : 18 wordt de Heer genoemd:

"Eerstgeborene uit de doden".

Hij zal en moet "in alle dingen de eerste plaats innemen". Hem komt in ieder opzicht de eerste plaats toe, de hoogste positie, hetzij met het oog op de oude of op de nieuwe schepping. Hij heeft de eerste ,geschapen en voor de tweede heeft Hij in het werk der verlossing de grondslag gelegd. Op geen andere weg kunnen wij met Hem deel hebben aan de voorrechten, die met deze positie verbonden zijn. In de zendbrief aan Laodicea noemt de Heer Zichzelf het begin der schepping Gods. Hij is tegelijk de schepper en de overwinnaar over dood en duivel.

In verbinding met het reeds gezegde, willen we nog in het kort aandacht schenken aan de titel

"Eerstgeborene der doden"

die wij in Openb. 1 :5 vinden. Het gehele boek de Openbaring houdt ons niet bezig met de voorrechten van de gelovigen. Het stelt ons ook niet voor de aandacht wie de Heer is in zijn betrekkingen als hoofd van zijn lichaam, als hogepriester en voorspraak, maar wel zijn bizondere verhouding tot de aarde en de tijd. Hij is "de getrouwe Getuige, de Eerstgeborene der doden en de Overste van de koningen der aarde". Blijken alle andere getuigen ontrouw te zijn, Hij is de getrouwe getuige Gods op deze aarde geweest. Door de ongehoorzaamheid van de eerste mens was de dood in de wereld gekomen, Door de gehoorzaamheid van de tweede mens kwam de opstanding der doden. Ja, Hij is als Gods Zoon verklaard, door de opstanding der doden (Rom. 1 : 4). Als overwinnaar over de dood en over hem, die de macht des doods had, leeft Hij nu van eeuwigheid tot eeuwigheid en heeft "de sleutels van de dood en de hades" (Openb. 1 : 18). Hij heeft macht over de doden, zowel over de lichamen die in de graven zijn, als over de zielen, die zich in de hades bevinden, de tussentoestand waarbij ziel en lichaam gescheiden zijn.

Zij allen zijn onderworpen aan het gezag van de opgestane Mens, de Eerstgeborene der doden. Welk een vreugde voor de doden in Christus, welk een schrik voor alle anderen!

 

In het voorbijgaan zij hier nog gedacht aan de uitdrukking:

"gemeente der eerstgeborenen"

die wij vinden in Hebr. 12 :23. Tot de opgesomde heerlijke dingen., waartoe de gelovigen uit de Joden gekomen waren, behoort allereerst de berg Sion, dan het hemelse Jeruzalem, ten derde de duizenden der engelen, de algemene vergadering, en ten vierde "de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen staan opgeschreven". De laatstgenoemden vormen, in tegenstelling tot de engelen, in wier midden zij zich bevinden, een aparte klasse van personen. Het zijn niet enkel schepselen zoals de engelen, maar mensen die het bizondere voorrecht bezitten, dat hun namen in de hemelen geschreven zijn. Zij zijn een gemeente, die God met Christus, de Eerstgeborene, één heeft gemaakt. Zij worden als 't ware reeds rondom Hem daarboven gezien: Hij, de Eerstgeborene (Hebr. 1 :6), zij, de eerstgeborenen, met Hem het hoofd van de nieuwe schepping, voor eeuwig verenigd.

 

We willen tenslotte nog letten op een bizondere verbinding, waarin de naam "Eerstgeborene" voorkomt. Het is de uitdrukking

"Eerstgeborene onder vele broederen"

in Rom. 8:29. Onwillekeurig herinnert die ons aan een woord uit Hebr. 2, waarvan de diepe, heerlijke betekenis vaak over het hoofd wordt gezien, of niet genoeg naar waarde geschat wordt. Wij lezen in het 11e vers van genoemd hoofdstuk:

"Want én hij, die heiligt, én zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één, om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen".

In de voorgaande verzen zegt de schrijver van de brief, dat, wanneer God vele zonen tot heerlijkheid wilde leiden, Hij de Overste Leidsman van hun behoudenis door lijden moest volmaken. Weer ontmoeten wij hier de bekende waarheid, dat slechts de dood van Christus de grondslag was om de raadsbesluiten van God tot stand te kunnen brengen. Wilde God kinderen voor Zich zien, dan was dit slechts mogelijk, als de Zoon van God aan bloed en vlees deel nam, met andere woorden: mens werd en door zijn dood die kinderen "heiligde" en uit de macht van satan bevrijdde. Gods heiligheid, gerechtigheid en waarheid eisten het. "Het betaamde Hem.". Hoe zou Hij ons, terwijl wij nog in onze zonden zijn, kunnen inbrengen?

 

Christus is dus aan ons, mensen, gelijk geworden, vanzelfsprekend zonder zonde. Hij Mens, wij mensen, Hij de uitvoerder van onze redding en wij de geredden. Allen zijn wij als 't ware in één mens voor God geplaatst, zodat Hij Zich niet schaamt, ons "broeders" te noemen. Hij is niet meer alleen, maar als de opgestane mens voor God heeft Hij medegenoten die zijn leven en zijn betrekking tot God deelachtig zijn geworden. Nog zijn wij aan Hem niet gelijk van gedaante. Niemand ziet nog onze heerlijkheid als zonen van God. Maar wij zijn door God voorbestemd aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn, "opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen". Wanneer de apostel zich dit wonderbare raadsbesluit van God voorstelt met het oog op ons: "van te voren verordend, geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt", komt hij tot de bekende uitroep:

"Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Indien God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?" (Rom. 8: 31).

Maar waarom staat er: "Eerstgeborene onder vele broederen"? Waarom niet, evenals Eerstgeborene der schepping, Eerstgeborene der doden, ook "Eerstgeborene van vele broederen"? Wij weten dat in het Woord van God niets toevallig is, iedere uitdrukking heeft haar bizondere betekenis. Zou tegenover de broeders de grootheid van zijn verheven plaats dan niet verminderd worden? Neen, in zijn wonderbare grote genade wilde Hij niet de eerstgeborene zijn over broeders, als Heer over hen, maar als één van hen, in hun midden. God wilde Hem zo, tot bevrediging van zijn liefhebbend hart, in het midden zien van hen, die Hij Hem gegeven heeft. Dat Hij steeds Heer is en blijft, Hij die waard is steeds aangebeden te worden, behoeft niet gezegd te worden. Nooit wordt Hij in de Schrift onze broeder genoemd, en nooit moeten wij Hem zo noemen: onze dankbare harten geven Hem nu en tot in alle eeuwigheid de Hem behorende plaats. Maar Hij heeft Zich niet geschaamd en schaamt zich niet, ons broeders te noemen. Hij heeft ons in deze innige betrekking tot Zich en de Vader gebracht, om ons zo zijn gehele liefde te schenken.

(Vertaald uit de "Botschafter", geschreven door R. Brockhaus).