"Eniggeborene" en "Eerstgeborene"

II

 

De eerstgeborene

 

Zichzelf vernederd

Wij komen nu op de titel "eerstgeborene" terug. Zoals reeds opgemerkt is, wordt deze titel bijna steeds gebruikt in verbinding met een verklarende bijvoeging, hetzij van personen of dingen, maar niet in verbinding met God. Wij lezen niet van de "eerstgeboren Zoon van God" of de "eerstgeborene des Vaders" en ook niet van "zijn eerstgeborene". Beide personen zijn immers steeds dezelfde, maar zij worden vanuit een ander gezichtspunt gezien, nl. in verbinding met de schepping, met de gemeente, met de "broeders" enz. Met het oog op deze en andere betrekkingen is Hij de "eerstgeborene".

Wat deze titel betekent, blijkt uit Psalm 89 :28, waar wij met het oog op de zoon van David (en in bredere zin op Christus) lezen:

"Ik zal Hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde".

De eerstgeborene van een familie had van ouds bizondere rechten, een bizondere plaats (Verg. Gen. 49 : 3). In Isral ontving hij een dubbel erfdeel en was tegelijk erfgenaam van de rang en de plaats van de vader, hetzij als hoofd van de familie of als vorst van het geslacht of stam. De titel duidt ook op een voorrang, een bizondere hoogheid en waardigheid. Daarom, toen de Heer op aarde kwam, toen Hij mens werd, kon het slechts zijn als de eerstgeborene, aan wie alles behoort en die in alles voorrang moest hebben. Van te voren deed Hij echter afstand van al deze rechten en nam de nederigste plaats in de wereld in. Hij kwam niet om Zich te laten bedienen, maar om te dienen, en zijn leven te geven tot een losgeld voor velen. Toch was Hij degene, van wie God kon zeggen: "Mijn zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt" (Ps. 2 : 7; Hebr. 1 : 5). Laten we acht geven op het karakteristieke onderscheid tussen de "eniggeborene", de eeuwige God, die vanaf de beginne was en de "eerstgeborene", de mens Christus Jezus, die als zodanig een ontstaan in het tijdelijke had, die in deze zin, er van te voren niet was, hoewel Hij van eeuwigheid af de Zoon van God was en bleef.

 

Hoger dan de engelen

Maar er bestaat toch niet een Zoon, die God, en een Zoon, die mens is? Zeer zeker niet. Steeds weer mogen wij er zeer nadrukkelijk de klemtoon op leggen, dat de Zoon, of wij Hem als eniggeborene of als eerstgeborene beschouwen, slechts n persoon is. Het Woord is vlees geworden, de eniggeboren Zoon werd mens, maar was en bleef steeds de eniggeborene. Wel ontleent zijn zoonschap als mens karakter aan het eeuwige zoonschap, maar toch werd Hij iets, wat Hij van te voren niet was: mens. Als zodanig was Hij "het beeld van de onzienlijke God" (Kol. 1 : 15). Hij, die aan het kruis de reiniging van de zonden teweeggebracht heeft en Zich toen aan de rechterhand der Majesteit in de hoge gezet heeft, was en is als mens een afschijnsel van de heerlijkheid Gods, het afdruksel van zijn zelfstandigheid. Hij draagt alle dingen door het Woord zijner kracht. De engelen zijn verhevene en geweldige wezens, in kracht en heerlijkheid ver onze meerderen, ze worden zelfs "zonen Gods" in algemene zin genoemd, omdat God hen geschapen en hun een plaats in zijn nabijheid heeft gegeven. Maar de mens Jezus Christus heeft een voortreffelijker naam boven hen gerfd. Hij is de Zoon, door God verwekt. Wanneer God daarom de eerstgeborene inbrengt in de wereld spreekt Hij: "Alle engelen Gods zullen Hem aanbidden". Zij zijn dienaars die God naar zijn welgevallen en onbeperkte wil gebruikt. Hij is de Zoon, de schepper en onderhouder van alle dingen (Hebr, 1 : 3-14).

 

Verschillende betrekkingen

Uiteenlopend zijn, zoals wij reeds opmerkten, de betrekkingen of verhoudingen, waarin de Heer als "eerstgeborene" staat. Allereerst wordt Hij in Kol. 1 : 15:

"de eerstgeborene der ganse schepping"

genoemd. Het is onbegrijpelijk hoe enkelen hier "de eerstgeborene (of zelfs "zijn eerstgeborene") vr de ganse schepping" konden vertalen. Hoe zou Christus vr de ganse schepping de eerstgeborene kunnen zijn, daar Hij toch als eerstgeborene eerst lang na de schepping van het eerste mensenpaar in deze wereld gekomen is? Zoals wij hiervoor reeds gezegd hebben, is het begin van alle dingen nog onmetelijk vr vr de schepping van Adam te stellen. Logisch geredeneerd zou Hij dus reeds mens geweest zijn, toen er nog geen mensen waren, en er nog geen schepping was. De waarheid is, dat Hij vr de ganse schepping de eniggeborene was, maar niet de eerstgeborene, De naam "eerstgeborene" staat in verband met zijn menswording.

Wat nu de titel "de eerstgeborene der ganse schepping" aangaat, moeten wij ons voorstellen, dat de Heer wel in deze schepping gekomen is, maar nooit hiertoe behoord, nooit deel van de schepping uitgemaakt heeft. Hij verscheen in de wereld als de schepper, niet echter als een schepsel. De eerste Adam werd "van stof" geschapen; de laatste Adam, de mens van de hemel, werd door God verwekt. Daarom zegt de engel tot Maria: "Dat Heilige, dat geboren zal worden, zal Gods Zoon genoemd worden" (Luk. 1 :35). En Paulus schrijft:

"Ongetwijfeld, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, gerechtvaardigd in de Geest, gezien door de engelen" (1 Tim. 3:16).

 

Zijn rechter

Adam was een zwak voorbeeld van Christus, zoals hij "naar het beeld Gods" geschapen en als middelpunt was gesteld in de schepping, die aan hem onderworpen zou zijn. De mens Christus daarentegen was "het beeld van de onzienlijke God," Hij, die God in zijn ware wezen en karakter aan de engelen en de mensen voorstelde. In Hem werd God gezien. Tegelijk behoorde aan Hem de gehele schepping. Hem kwam het gezag toe over alles, eenvoudig omdat Hij alles geschapen had. "Alle dingen zijn door Hem en (daarom ook) tot Hem geschapen". Toen Christus een plaats in de schepping innam, kon het slechts die van gezag zijn. Hij had onvoorwaardelijke rechten op de gehele schepping. Wij hebben reeds gezegd, dat Hij deze rechten niet heeft doen gelden. Hij had het immers slechts kunnen doen door de weg van oordelen en Hij was gekomen om verlossing te brengen! Hemel en aarde, het gehele heelal, was dus van Hem, en wanneer de apostel in ons hoofdstuk verder over het verzoeningswerk van Christus spreekt, dan schildert hij allereerst de heerlijke gevolgen daarvan voor de schepping, in "alle dingen". De Heer kan slechts regeren over bezit dat verlost en gereinigd is. Daarom "was, het het welbehagen der ganse volheid (Godheid), in Hem te wonen, en door Hem alle dingen tot zichzelf te verzoenen" (Kol. 1 : 19, 20).

Maar hoe was zulk een verzoening mogelijk? Slechts door de dood. De mens had door zijn val zichzelf en de gehele schepping onder de zonde en de heerschappij van de dood gebracht. Christus is in de dood gegaan, om door de macht van het leven, dat in Hem was, deze heerschappij te verbreken en niet slechts de schepping te bevrijden, zoals er staat: "vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises" (verg. Rom. 8 :19-21), maar ook om uit de mensen hen te redden, die met Hem, de opgestane, verbonden worden en aan zijn heerlijkheid deel konden hebben. Langs deze weg heeft Hij Zich een tweede vorm van heerlijkheid en gezag verworven. De eerste behoorde Hem toe als schepper aller dingen. De tweede heeft Hij verworven door zijn dood en opstanding. Hij is nu het hoofd van de nieuwe schepping, het hoofd van het lichaam, de gemeente, "het begin" van een geheel nieuwe ordening van de dingen, waaraan wij als verlosten deel hebben, daar wij het goddelijke leven deelachtig geworden zijn, dat in Christus Jezus is.

 

Vrij vertaald artikel van br. R. Brockhaus in de "Botschafter".