OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 118

 

Jehova beschaamt niet

Het eerste en laatste vers van deze psalm zijn geheel gelijkluidend:

"Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid".

De laatste zes woorden van dit vers klinken, als een refrein, ook in de volgende drie verzen door. De goedertierenheid van Jehova is dus de grondslag voor de lofzegging.

De man die hier spreekt, zijn naam wordt niet genoemd, is de mond van het verloste volk nadat zijn haters en vijanden zijn neergeworpen. In alle eeuwen hebben de Joden veel vijanden gehad en ze hebben ze ook nu nog in menigte. Dat blijkt wel uit de hedendaagse politiek van grote en kleine landen. Toch moet de grootste vervolging, voor het getrouwe deel van het volk, nog komen. Dat zal zijn in de tijd van de antichrist, de zoon des verderfs, dus na de opname van de gemeente (2 Thess. 2 :3-7).

Zoals nooit tevoren gebeurd is, zal het volk dan, in hun benauwdheid. tot de Here roepen, Jehova zal hun antwoorden en in de ruimte stellen (vs. 5). Het geloof van de IsraŽliet zal zich dan alleen vastklemmen aan de Here. Hun vertrouwen op mensen, ja op edelen, dat daarvůůr tot uiting kwam, is gebleken waardeloos te zijn (vs. 8 en 9).

 

God vůůr ons

Maar niet alleen Gods aardse volk, de Joden, zijn vervolgd en verdrukt. Ook de gelovigen, de kinderen van God, hebben door alle eeuwen heen, in meerdere of mindere mate, verdrukking en smaadheid ondervonden. Lijden met Christus (Rom. 8 :17) en verdrukking om zijns naams wil (Joh. 16 :33) zullen de gelovigen nooit bespaard blijven. Daarom is deze psalm voor alle tijden en voor alle gelovigen van grote betekenis. Op dezelfde God, die IsraŽl verlost heeft en in de toekomst verlossen zal, mogen ook zij vertrouwen. De woorden van de apostel Paulus:

"Indien God voor ons, wie zal tegen ons zijn?" (Rom. 8 : 31).

geven uitdrukking aan deze geloofszekerheid.

Het aantal vijanden van de gelovigen in deze wereld, met als aanvoerder de vorst der duisternis, is niet gering. De psalmist spreekt er van dat hij door vijanden omsingeld was; zij omringden hem als bijen. Maar in de naam des Heren had hij de overwinning behaald (vs. 10-12).

Dat komt overeen met wat de apostel zegt in Rom. 8 : 37:

"Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars"

Daarmee wordt niet gezegd dat de gelovige verschoond blijft van de moeilijkheden. Neen, maar in die omstandigheden is hij toch overwinnaar en meer dan dat. Ons geloof is de overwinning over de wereld (1 Joh, 5 : 4). Tegenover dit geloof staan de vijanden machteloos. De gelovigen worden wel duchtig gestoten, zelfs tot vallens toe (vs. 13), maar de Heer helpt hen.

 

De kastijding des Heren

Nadat de psalmist in vers 13 van de hulp des Heren gesproken heeft, prijst hij in vers 14 Hem, die zijn sterkte was en hem tot heil geweest is. Een jubellied en zegezang klinkt dan in de tenten der rechtvaardigen (vs. 15).

Het gelovig overblijfsel van IsraŽl zal na de verschrikkelijke tijd van de grote verdrukking, als het verlost is uit de macht van de antichrist, zů kunnen spreken Het dreigend doodsgevaar (vs. 17) is dan voorbij. Hun leven is zeker.

In vers 13 wordt met degene die stoot de vijand bedoeld, maar in vers 18 wordt gezegd dat de kastijding van de Here is. Toch gaat het in beide verzen om dezelfde verdrukkingen. De doelstelling is echter verschillend. Het ging de vijand er om, te slaan en te verderven, terwijl Jehova door kastijding in liefde terecht wilde brengen en genezen.

Al is de vijand het werktuig geweest, zoals ook nu nog kan gebeuren, de beproeving moet uit de hand des Heren worden aanvaard. Dan is het ook mogelijk Hem te danken, zodra de verdrukking voorbij is en te roemen in God als we verdrukt worden.

Job heeft in dit opzicht een les moeten leren. De Here zag in zijn hart dingen die hij moest veroordelen en waarvoor hijzelf blind was en liet daarom de vijand toe hem te slaan. Zo kan het ook met ons gaan. Wij zijn echter eerder geneigd boos te worden op de vijand die ons stoot, dan dat wij op onszelf zien, om na te gaan wat de oorzaak is van de kastijding die de Heer ons zendt. Hij doet dit tot ons nut, om ons zijn heiligheid deelachtig te doen worden (Hebr. 12 : 10). Job heeft dit ondervonden (Job 42 : 5, 6).

IsraŽl zal dit ook ervaren, als het beproefd en gelouterd uit de verdrukking komt en door de poorten der gerechtigheid zal binnengaan om de Here te loven (vs. 19, 20).

 

Gods toelating en doel

De zojuist genoemde kastijding heeft ook nog een speciaal kenmerk. De vijand is wel een werktuig in de hand van God, maar deze kan niet verder gaan dan de Heer toelaat. Ook dat zien we duidelijk in de geschiedenis van Job.

Als IsraŽl straks in de grote verdrukking van alle zijden wordt aangevallen, zal het toch niet geheel ondergaan. Jehova zal over zijn volk waken. In beide gevallen, zowel van Job in het verleden als van IsraŽl in de toekomst, zal gezegd kunnen worden: "aan de dood heeft Hij hem niet overgegeven".

De verdrukking door de vijand en de kastijding van God eindigen echter niet eerder dan na zelfkennis, schuldbelijdenis en berouw. Dat zien we bij Job en dat zal IsraŽl in de toekomst ervaren. Hetzelfde beginsel geldt evengoed voor ons, gelovigen van deze tijd, God wil met de zijnen zijn doel bereiken.

Straks gaan voor IsraŽl de poorten der gerechtigheid open en voor ons de deuren van het vaderhuis. De poorten en de deuren zijn van de Here (vs. 20) en zij vinden hun grondslag in de persoon en het werk van Christus.

 

De verworpen steen

Jezus Christus is ook de enige grond waarop het volk van IsraŽl in de toekomst het heil kan ontvangen. Hij was de steen, die de bouwlieden verwierpen, maar door God tot een hoofd des hoeks is gesteld. Zonder Christus is er voor niemand heil. Nu is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden. De verworpen Christus is door God verhoogd, en door Hem gemaakt tot hoeksteen van het grote huis van God, de gemeente. Dat is geen werk van mensen geweest, want die wilden Hem niet. Neen, het is van de Here geschied en wij kunnen er met bewondering naar staren (vs. 23). De dag van Jezus' sterven, opstanding en verheerlijking, was een dag van blijdschap en verheuging voor alle verlosten. Gods plannen en gedachten zijn voor het verstand onbegrijpelijk, maar voor het geloof redenen om tot aanbidding te komen.

 

De koning komt

Het gelovig overblijfsel van IsraŽl zal eenmaal Hem zien, die ze verworpen en zelfs doorstoken hebben. Maar ze zullen Hem ook zien, herkennen en aannemen als hun Messias en koning. De tijd is niet ver meer, dat zij zullen roepen:

"Gezegend hij die komt in de naam des Heren" (vs. 26).

De menigte der discipelen heeft dit gezegd, toen de Heiland, vlak vůůr zijn lijden en sterven, Jeruzalem naderde (Matth. 21 : 9; Mark. 11 : 9; Lukas 19 : 38; Joh. 12 : 13). Maar daartoe aangezet door de oversten veranderde deze Hosanna-roep kort daarna in "kruisig Hem". Het huis des Heren, waarvan straks de zegen zal uitgaan (vs. 26) is nu verwoest. De Heer heeft Zelf tot de Joden gezegd: "uw huis worde u woest gelaten". Eeuwen lang is IsraŽl reeds zonder tempel, zonder offer, zonder eredienst. Maar er is een "totdat".

De Here is God, ook voor IsraŽl. Hij zal de duisternis voor zijn volk doen opklaren en het doen lichten (vs. 27). Dan zal de eredienst hersteld worden en de offers gebracht aan Hem, die de verlossing heeft bewerkt. (Zie ook Ezech. 45:18 - 46:21).

Het volk zal dan zeggen: "Gij zijt mijn God" Hosea 2 :22). De lofzang zal zonder eind zijn en gebracht worden aan Hem, die vroeger Zichzelf vernederd heeft. Zijn heerlijkheid zal dan niet alleen in de hemel, maar ook op aarde gezien worden.

Hallelujah onze zangen
zijn voor eeuwig Hem gewijd,
die het Godsrijk zal ontvangen
als het loon op al zijn strijd.

J. A. Vellekoop