De "bloedtheologie" in Genesis

II

 

God zelf stelt het offer in

 

Een offer nodig

Niet zodra deed de zonde zijn intrede in de wereld, of de mensen hadden een offer nodig, wilde God nog langer in genade met hen kunnen handelen.

Dat hebben zij zelf dadelijk niet begrepen. Wel hebben ze gevoeld, dat de oude relatie met God verbroken was. De grondslagen van hun bestaan wankelden onder hun voeten. Daarom gingen zij aan het werk, om te komen tot een nieuwe grondslag, waarop een relatie met de schepper mogelijk zou zijn.

Hoe weinig zij daarin geslaagd zijn, blijkt reeds daaruit, dat hun eigen geweten hun pogingen in een zo twijfelachtig licht stelde, dat "zij zich verbergden" voor God.

Hoe weinig men er in de vele duizenden jaren sindsdien in geslaagd is, blijkt ook nog steeds uit dit "verstoppertje spelen" van de mensen voor God.

Maar hoe weinig ze wŤrkelijk geslaagd waren, om een herstel van relatie tot stand te brengen, bleek eerst ten volle in het licht van Gods tegenwoordigheid.

Ondanks alles, waarmee hij zichzelf zo moeitevol bekleed had, klonken daar de woorden van Adam: "Omdat ik naakt ben" en niet: "Omdat ik naakt was".

Schrikwekkend zal de ontdekking zijn voor de miljoenen, die desondanks langs deze weg getracht hebben het probleem van de zonde te verdoezelen, door de prachtige gewaden van hun eigen inspanningen. Ook zij zullen straks zien, dat

"alle dingen naakt en geopend zijn voor de ogen van Hem met wie wij te doen hebben..." (Hebr. 4:13).

God heeft dan ook Zelf het offer ingesteld en daarmee de nieuwe grondslag aangewezen, waarop van een nieuwe verbinding tussen God en de mensen sprake kan zijn.

Daaraan danken we de eenvoudige mededeling:

"De Here God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmee" (Gen. 3:21).

Hiermede wordt het eerste offer in de bijbel beschreven. Er vallen uit deze enkele zin verschillende belangrijke dingen te leren. Onder anderen:

  1. Niet de mens, maar God Zelf heeft het eerste offer ingesteld. Om voor God te kunnen bestaan, heeft dus ieder mens een offer nodig.

  2. Het gaat er helemaal niet om, of wij dat wel inzien, God zegt, dat dit nodig is.

  3. Blijkbaar was de dood van een ander nodig, om Adam en Eva te kunnen sparen.

  4. Zij werden gehuld in de bewijzen van de dood van het offerdier. Als God hen zag, zag hij tevens het bewijs van het volbrachte offer.

We kunnen hierbij nog opmerken, dat God sindsdien telkens weer ervoor gezorgd heeft, dat er een offer was, dat vooruit wees, naar HET OFFER, naar DE ANDER, die voor ons zou sterven, om daarmede de enige grondslag te leggen, waarop van gemeenschap met God sprake zou kunnen zijn.

De Here Jezus, Gods eniggeboren Zoon, bracht op het kruis het enige offer dat werkelijk zonden kon wegnemen. Slechts dit feit (nl. dat al de offers in de oudtestamentische tijd vooruitwezen naar HET OFFER), verklaart de "verdraagzaamheid van God" ten opzichte van "de zonden die tevoren zijn geschied".

Het offer van Abel

 

De volgende offerbeschrijving is al direct uitvoeriger.

"Abel bracht een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet" (Gen. 4: 4)

We merken hierbij op dat:

  1. voor het eerst de diersoort aangegeven wordt;

  2. over de kwaliteit van dieren iets medegedeeld wordt;

  3. over hun vet speciaal gesproken wordt.

Geheel volgens het ook elders in de bijbel duidelijk naar voren komende beginsel: De natuurlijke dingen komen eerst, daarna de geestelijke (1 Kor. 15 : 46), wordt ons bericht, dat eerst KaÔn geofferd heeft. En wel van zijn kweekproducten, vruchten van het veld. Misschien verwondert het iemand, dat God dit offer niet kon aannemen, terwijl Hij later aan de IsraŽlieten gebood, Hem wel degelijk "de eerste vruchten van het land ten offer te brengen". U moet daarbij echter opmerken, dat dit gebod gegeven werd aan een volk, dat door God verlost was uit de slavernij van Egypte, en geplaatst in het beloofde land.

Dit moge ons leren, dat God van allen, die Hij verlost heeft uit de slavernij der zonde, om ze "in Christus te zetten in de hemelse gewesten", verwacht, dat zij wel degelijk de hemelse vruchten van hun arbeid en inspanning als gelovigen, aan God offeren.

Maar nimmer kunnen menselijke inspanningen ertoe bijdragen hem aangenaam te maken voor God. Men wordt alleen "aangenaam gemaakt in de geliefde". Dit verklaart tevens, waarom het offer van Abel wel werd aangenomen. De superioriteit van zijn offer lag in zijn geloof (Hebr. 11 : 4).

Dit wordt in de brief aan de HebreeŽn een "betere offerande" genoemd, waar we tevens kunnen lezen, dat "God over zijn gaven getuigenis gaf". Gaven, waarover niemand minder dan God Zelf getuigenis heeft gegeven, zijn de moeite van het bestuderen ten volle waard!

 

"Eerstelingen", "schapen", "vet"

Deze drie woorden verdienen onze speciale aandacht. Uit het feit, dat het om eerstelingen ging, en wel van het kleinvee, of de schapen, valt af te leiden, dat Abel het beste wat hij had heeft geofferd. Daarmee wordt ons nu profetisch aangewezen, wat ťťn van de kenmerken zou zijn van "de ander", die moest sterven in plaats van de mens. Een schaap spreekt wel in de eerste plaats van onschuld. Abels offer wees heen naar Hem:

"die geen zonde gedaan heeft, en geen bedrog is in zijn mond gevonden, die als hij gescholden werd niet wederschold, als Hij leed, niet dreigde, maar zich overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt..." (1 Petr. 2:22, 23).

Nadrukkelijk wordt ook vermeld dat Abel van hun vet offerde. Dit behoorde tot de innerlijke bestanddelen van het offer. Het getuigde van de innerlijke waarde van het offer. Zo was ook Christus niet alleen in zijn uiterlijk leven, maar ook in zijn persoon volkomen aan God toegewijd, volmaakt en goed. Niet alleen heeft hij geen zonde gedaan, maar:

"Die geen zonde gekend heeft, die heeft Hij zonde voor ons gemaakt..." (2 Kor. 5:21).

Was dan ook Gods getuigenis over Abels gaven en over zijn geloof (niet over Abel zelf!) duidelijk, niet minder duidelijk is Gods getuigenis over de Here Jezus:

"Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen gevonden heb" (Matth. 3:17; 17.5).

En belangrijk voor ieder zondaar, die de noodzakelijkheid van een offer voor zichzelf en zijn zonden inziet, is ook het getuigenis, dat God betuigd heeft aangaande zijn Zoon:

"Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet" (1 Joh. 5 :12).

Samenvattend kunnen we zeggen, dat het offer van Abel ons o.a. leert, dat het offer, dat waarlijk zonden kan wegnemen, gekenmerkt wordt door:

  1. schuldeloosheid,

  2. zondeloosheid,

  3. volmaaktheid en volkomenheid voor God.

J. Ph. F.