"Eniggeborene" en "Eerstgeborene"

I

 

Het onderscheid tussen de beide titels van onze Heer: "Eniggeborene" en "Eerstgeborene", was reeds vaak het onderwerp van bespreking in kringen van gelovigen. Ik hoop dat een kort woord daarover welkom zal zijn. Van te voren wil ik er evenwel de nadruk op leggen, dat het behoort tot de onderwerpen, die wij slechts met heilige schroom durven benaderen. Wij blijven ons bewust van een volkomen onbekwaamheid ze te begrijpen of te bevatten, en moeten ons daarom zoveel te meer houden aan wat Gods Woord hierover zegt. "Niemand kent de Zoon, dan de Vader" (Matth. 11:27) is een woord van onze Heer Zelf, dat ons zeer voorzichtig moet maken.

 

Eniggeborene

 

Een eeuwige verhouding

Allereerst zij er op gewezen, dat de titel "Eniggeborene" of "eniggeboren Zoon", die wij slechts in de geschriften van Johannes vinden, uitsluitend heenwijst naar de eeuwige verhouding van de Zoon van God tot zijn Vader. De tweede titel "Eerstgeborene" staat in verbinding met de menswording van de Zoon. Zij komt, misschien op een enkele uitzondering na (Hebr. 1 : 6), steeds voor met een nauwkeuriger toevoeging, die betrekking heeft op zijn komst in de wereld.

 

Wanneer de Schrift onze Heer de "Eniggeborene" noemt, wordt ons steeds voor ogen gesteld, wat Hij van eeuwigheid af was en eeuwig blijft - een verhouding, die ook door de menswording op geen enkele wijze benvloed of veranderd is. De Heer Jezus Zelf zegt: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft". Johannes getuigt: "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader", en: "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is - daar waar zijn plaats altijd was en altijd is -, die heeft Hem verklaard" (Joh. 3 : 16; 1 : 14, 18; verg. ook 1 Joh. 4 :9). Tot dit doel kwam de Zoon van God in de wereld. Wie zou ons de Vader hebben kunnen bekend maken behalve Hij? Niemand kende God, niemand heeft Hem ooit gezien.

"Eniggeboren Zoon" is dus de titel van onze Heer als de eeuwige God; de schepper en onderhouder van het heelal; het Woord; de uitdrukking van Gods wezen. Zij geeft aan, dat Hij Zelf God en toch bij God was en wel van den beginne. Hij was volkomen aan God gelijk, maar als persoon van Hem onderscheiden. Vanaf het begin van alle dingen was Hij daar (niet werd Hij), was Hij God en bij God - niet in het tijdelijke geboren, ook niet slechts een "goddelijk wezen", maar God van eeuwigheid af. Alles is door Hem geworden, en zonder Hem is geen ding geschapen. Hij schiep alles. Zo spreekt het Woord, en ik vraag weer: Wie anders dan God Zelf had ons deze dingen kunnen mededelen? Het heeft Hem goed gedacht, de evangelisten en apostelen daarvoor als werktuigen te gebruiken. Wij mogen en moeten deze mededelingen in eenvoudig geloof, zonder twijfel of redenering aannemen, om Hem te aanbidden.

Johannes 1 : 1, 2 voert ons dus uit boven Genesis 1 : 1. Terwijl wij in laatstgenoemde tekst lezen: "In den beginne schiep God" staat er in Joh. 1 : 1: "In den beginne was het Woord". Het bestond dus reeds. Welke onmetelijke tijdruimten er mogen liggen tussen de schepping van Adam en dit begin weten wij niet. Maar hoever wij onze gedachten ook terug laten gaan: "in den beginne was het Woord". Het is er altijd geweest.

 

Zijn vernedering

"En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond". Onverklaarbaar geheim. De eniggeboren Zoon is in deze wereld verschenen, is in het midden der mensen getreden. "Toen de volheid des tijds gekomen was, zond God zijn Zoon, geworden uit een vrouw" (Gal. 4 : 4). De Zoon van God, die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof geacht heeft, Gode gelijk te zijn, heeft Zichzelf vernietigd. Hij legde zijn stralende heerlijkheid af en nam het kleed van de diepste nederigheid aan. Zo verscheen Hij in de gestalte van een slaaf en nam vlees en bloed aan, om het verzoeningswerk te volbrengen.

Ja, Hij moest sterven want

"Indien het tarwegraan niet in de aarde valt en sterft, blijft het alleen" (Joh. 12: 24).

Zo heeft Hij dan, hoewel Hij Zoon was, gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij geleden heeft; en volmaakt geworden, is Hij allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden (Hebr. 5 :8, 9). "Hij werd gehoorzaam tot de dood, ja, tot de dood des kruises" (Filip. 2 : 8).

 

Genade en nederigheid

Doordat Hij zo in de wereld kwam, was Hij het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht. Hij, die alleen de Vader kon bekend maken was niet slechts een licht, maar ht licht. "In Hem was het leven, en het leven was het licht der mensen". Daarom kon Hij tot Filippus zeggen: "Die mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons de Vader?" (Joh. 14:9). Hij was de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid. Vr zijn komst wist niemand z wat genade was. Ook de waarheid was niet in de wereld, want de wet was niet "de waarheid". Wel had God Zich in vroegere dagen genadig betoond en waren gedeelten van de waarheid medegedeeld, maar eerst "door Jezus Christus is genade en waarheid geworden". Wij kennen nu de waarheid. Wij weten wie God is, wat de wereld en haar vorst is, wat de mens en de zonde is, wat genade is, enz. Maar terwijl het oog des geloofs de heerlijkheid van Christus aanschouwde als de eniggeborene van de Vader, heeft de duisternis het licht niet begrepen. De duisternis haatte het licht. "De mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren boos" (Joh. 3 : 19). Tussen licht en duisternis is geen verbinding, zij sluiten elkaar uit. Licht blijft eeuwig licht, duisternis eeuwig duisternis. Welk een genade uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht geroepen te zijn - eertijds duisternis, nu licht in de Heer (1 Petr. 2 : 9; Efeze 5 : 8).

 

Het is nog van belang op te merken, dat het door "eniggeborene" vertaalde Griekse woord ook in andere gevallen (verg. b.v. Luk. 7 : 12; Hebr. 11 : 17) eigenlijk "enig in zijn soort, van zijn geslacht" betekent. Het Griekse woord voor "Eerstgeborene" is samengesteld uit het telwoord "eerste" en het werkwoord "baren".

 

Dit artikel en de beide die d.v. nog zullen volgen, zijn geschreven door wijlen br. R. Brockhaus en enigszins vrij vertaald uit de "Botschafter".