Bileam

Geen hoorders, maar daders van het Woord

In het nieuwe testament worden ons drie verschillende waarschuwingen gegeven, naar aanleiding van de geschiedenis van Bileam.

Petrus zinspeelt op "de weg van Bileam" (2 Petrus 2 : 15). Judas wijst op zijn "dwaling" (vers 11) en in Openbaring 2 : 14 zijn de woorden vermeld, die de Heer Zelf heeft laten opschrijven over "de leer van Bileam".

Op deze plaatsen wordt van Bileam niets goeds gezegd. Hoewel hij de woorden en gedachten van God over zijn volk heeft gesproken, bleef zijn hart ver van God verwijderd. Hij was de man met "het geopend oog" en een "hoorder van het Woord", die helaas niet verder is gekomen. Zijn antwoord aan de boden van Balak klinkt misschien wel schoon en zelfs vroom, maar de werkelijkheid was anders. Het hart van Bileam ging uit naar het waarzeggersloon, dat Balak hem wilde geven. Hij werd door hebzucht en geldgierigheid gedreven. Het loon der ongerechtigheid had hij lief. God heeft deze man het masker afgetrokken en zijn werkelijke drijfveren aan ons duidelijk gemaakt.

Het is een ernstige gedachte, dat vrome en schoonschijnende woorden geen bewijs zijn van een oprecht en godvrezend hart. De Heer heeft tegen de farizeeŽn gezegd, dat op hen van toepassing was de veroordeling van Jesaja: "Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij" (Markus 7 : 6).

Het is ook niet voldoende de juiste woorden te kunnen gebruiken en ze op een ernstige toon te kunnen zeggen, want de Heer zegt ook: "Niet een iegelijk, die tot mij zegt: Here, Here, zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar hij die de wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is."

Judas Iskariot was uiterlijk in wat hij zei, zelfs in de voor de discipelen waarneembare daden, niet anders dan de anderen. Toen de Heer zei, dat iemand van hen hem zou overleveren, dacht geen van de discipelen er aan, dat Judas dit zou doen. Zij informeerden allen: "Ben ik het, Heer?"

Het hart van de mens moet worden veranderd en gereinigd. Bileams hart was hebzuchtig, zonder liefde tot God of eerbied voor zijn heiligheid.

 

Wat Petrus er van zegt:

In hoofdstuk 2 : 15 en 16 van zijn tweede brief schrijft Petrus over de weg van Bileam en over de dwaasheid van de profeet. De weg van Bileam bestond uit het volgen van zijn eigen wil. Dat blijkt niet direct uit zijn woorden, die hij de boden van Balak toevoegde. Men zou zelfs kunnen tegenwerpen, dat hij zich toch heeft onderwerpen aan de wil des Heren, door de eerste en tweede keer niet aan het verzoek van Balak te voldoen. Maar uit de woorden: "De Here weigert mij toe te staan met u mee te gaan", kunnen we lezen, dat hem deze weigering speet. Hij zou graag meegegaan zijn, maar hij durfde niet. Hij was bang voor de gevolgen. Zijn hart trok naar Moab en naar de geschenken van Balak, maar vrees voor straf hield hem terug.

Toen de boden van Balak voor de tweede keer bij hem kwamen was de reactie van Bileam toch wel positief afwijzend. Zijn antwoord: "Al gaf Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik zou niet in staat zijn het bevel van de Here, mijn God, te overtreden", is toch wel klare taal. Ja dat zou zo geweest zijn, als hij er niet direct op had laten volgen: "Blijft gij toch deze nacht hier, opdat ik wete wat de Here verder tot mij spreken zal". In stilte hoopte hij dat God van gedachten zou veranderen en hem niets meer in de weg zou leggen, om toch mee te gaan, ondanks het uitdrukkelijk verbod, dat hem de eerste keer gegeven was.

God heeft hem, met eerbied gesproken, zijn zin gegeven, zodat Bileam schijnbaar in staat was zijn eigen weg te gaan. Een weg die overeenstemde met de wens van zijn hebzuchtige verlangens, maar die in strijd was met de wil van God. Deze man was zo ongevoelig voor de waarschuwende stem van God Zelf, dat hij teruggehouden moest worden door het stomme lastdier, sprekende met mensenstem.

Ook voor ons is er het gevaar, dat wij de wil van God van minder betekenis achten dan het voldoen aan onze materiŽle verlangens. Als wij dit laatste op de voorgrond stellen en ons hart er op zetten, kan het zijn dat God deze wensen vervult, maar tegelijkertijd onze zielen een magerheid zendt.

Wat Judas er van zegt:

In de tweede plaats hebben we de dwaling van Bileam, waarover Judas schrijft in het 11e vers van zijn brief. Hij geeft daarin duidelijk te kennen dat Bileam begerig naar loon uitzag. Hij was iemand, die door het vooruitzicht op geldelijk voordeel elke dienst ondergeschikt wilde maken aan zijn hebzucht. Is dit niet een kwaad, dat we ook vandaag nog vinden?

Een van de meest bedenkelijke trekken van deze zonde is, dat ze moeilijk waar te nemen is, tenminste in het eerste stadium. Hebzucht is een onreine beweegreden van het hart, die soms bedekt wordt door een schijnbaar prijzenswaardige activiteit in de dienst. De drijfveren en motieven van zulke dienstknechten zijn dan moeilijk door een ander te onderscheiden. Toch zal het ware karakter van deze mensen openbaar worden, evengoed als ook Bileams doelstellingen door God aan het licht zijn gebracht. Bileam was een man, die alles wilde doen voor een goed loon. Hij wilde blijmoedig een heel volk vloeken, om zijn eigen beurs met goud te vullen, of om door anderen geŽerd te worden. Hij was zowel hebzuchtig als ijdel. Judas spreekt, evenals de apostel Petrus, van de valse leraars, die in de gemeente zijn binnen geslopen: goddelozen, die de genade van God veranderen in ontuchtigheid. Zij hechten er meer waarde aan de oren van hun hoorders te strelen met wat zij wensen te horen, dan hen te voeden met het gezonde Woord van God, dat zij nodig hebben. Kortom, hun doel is een zekere populariteit te verwerven en om gunstig beoordeeld te worden. Laat ieder die het Woord predikt zich hoeden voor zulke praktijken. Het is een kwaad waardoor Bileam te gronde is gegaan.

De leer van Bileam

In Openbaring 2 : 14 wordt gewag gemaakt van de leer van Bileam. De inhoud van deze leer wordt er bij genoemd: de verleiding om te eten van de afgodenoffers en te hoereren met vreemde volken. In Numeri 25, waar deze afwijking van het volk uitvoerig beschreven wordt, is geen sprake van Bileam. Alleen in Numeri 31 : 16 en in Openb. 2 : 14 wordt de raad van Bileam aan Balak gememoreerd. Toen de openlijke aanval tegen het volk van God was mislukt, omdat God Zelf tussenbeide kwam om het te beschermen, zocht en vond Bileam een ander middel. "Geldgierigheid is een wortel van alle kwaad." Bileam fluisterde Balak in het oor, dat hij moest trachten het volk van IsraŽl door list te verleiden, nu de andere pogingen mislukt waren.

Vermenging van IsraŽlieten met Moabieten en verleiding van Gods volk tot de dienst van Bašl, waren het oogmerk van deze listige, sluwe en verdorven man. En Bileam had het goed gezien, dat deze zonden de kracht van IsraŽl zouden breken, omdat ze geheel indruisten tegen de wil van Jehova (Deut. 7 : 1-4).

Het is droevig maar waar dat deze list slaagde. Gods afgezonderd volk vermengde zich met de Moabieten, waardoor het zich een streng oordeel van God op de hals haalde. Er kwam een plaag onder het volk en niet minder dan 24000 mensen stierven.

O, Bileam! Gij hebt u wegens een vreselijke aanklacht te verantwoorden. Aan uw deur ligt het bloed van een ieder van deze duizenden, die door de plaag stierven. Gij zijt verantwoordelijk voor hun dood. De gevolgen van deze afwijking van het volk van God zijn zeer ernstig. En dat de Heer Zelf, in de brief aan Pergamus, de gelovigen die de leer van Bileam hielden, zo scherp veroordeelt, is voor ons een bewijs, dat dezelfde beginselen wat betreft de afzondering ook nu nog van kracht zijn. Gods volk is een afgezonderd volk. Het samengaan van gelovigen en ongelovigen wordt in 2 Kor. 6 : 14-18 uitdrukkelijk verboden. God acht dit onmogelijk. Jakobus legt nog eens de nadruk op dit beginsel, als hij zegt: "Weet gij niet, dat de vriendschap der wereld vijandschap is tegen God".

Als wij in dit opzicht het Woord van God ongehoorzaam zijn, zal Hij ons vroeg of laat moeten tuchtigen.

Ook Bileam is het oordeel niet ontgaan. Hij verloor zijn leven toen IsraŽl zich op de Midianieten heeft gewroken. Waarschijnlijk heeft hij zijn huis niet meer teruggezien. Van het verdiende goud heeft hij dan niet meer kunnen genieten, zoals hij gehoopt had.

(Naar het Engels)