Zeggen en doen

 

Onze verhouding tot God.

De gelijkenis van de twee zonen in Mattheus 21 : 28-31 is een van de kortste gelijkenissen, die de Heer heeft uitgesproken. Zij beslaat slechts drie verzen. Er is sprake van een vader, die enkele woorden spreekt. En van de twee zoons, die in het oorspronkelijke ieder slechts twee woorden zeggen. Tenslotte van een doen en een niet doen. En daarmee is de geschiedenis uit. Maar met deze enkele lijnen tekent de Heiland een goed stuk van ons aller menselijk leven. En wel het belangrijkste stuk, dat de wortelen van ons bestaan raakt, n.l. onze verhouding tot God.

Men heeft van Rembrandt wel eens gezegd, dat zijn grootheid het meest blijkt uit zijn etsen, waarin hij met enkele lijnen zoveel uitdrukt. Maar met hoeveel meer eerbied blikken wij op tot de goddelijke Meester, die in enkele woorden een tekening van ons mensen geeft, zo treffend, zo waar, maar bovendien zo lijnrecht ingaand tegen onze menselijke meningen, dat alle volgens onze maatstaven gevestigde, zekerheden aan het wankelen worden gebracht! Want dat is het, wat ons tenslotte het meest treft bij de overdenking van deze korte gelijkenis: zij ontneemt ons onze zekerheid.

 

Twee zonen.

Het is een vreemd stel zonen, dat deze vader bezit. Het lijkt wel of zij elkander willen overtroeven in ongerijmdheid. De eerste jongen zegt tegen zijn vader, wanneer deze hem de opdracht geeft om in de wijngaard te gaan werken: "Ik wil niet". Onbeleefder kan het bijna niet. De vader zegt evenwel niets en gaat zwijgend heen. De jongen blijft alleen achter. Misschien verbaasde het hem, dat vader geen antwoord gaf. Misschien heeft hij even een schuwe blik geworpen op vaders gelaat en de pijnlijke trek gezien, die zijn optreden daar tevoorschijn had gebracht. De Heiland vertelt er ons niets van en noemt alleen het belangrijkste: hij kreeg berouw en liep naar de wijngaard om aan de slag te gaan. Onderwijl heeft de vader zijn tweede zoon opgezocht en hem eenzelfde opdracht gegeven. Hoe geheel anders is hier de reactie! De vader is nog maar nauwelijks uitgesproken of het antwoord is er al. "Ik ga, Heer". Beleefder. onderdaniger kan het bijna niet. Eigenlijk staan er in het oorspronkelijke slechts twee woorden: "Ik, Heer", m.a.w. ik zal wel gaan, op mij kunt U rekenen. Ook hier geeft de vader geen antwoord. Trouwens dat hoefde ook niet, want hier is alles in orde. Het is echter slechts schijn, want de gelijkenis eindigt met de woorden: "en hij ging niet". Waarom niet? Het antwoord laat de Schrift aan onze fantasie over: slechts het belangrijkste wordt vermeld: "hij ging niet". En als straks de vader naar de wijngaard gaat om te zien of het werk opschiet, dan ziet hij, ja, wl een van zijn zoons werken, maar tot zijn verbazing is het niet de model-jongen, maar die andere, die hem zo diep gegriefd had met zijn botte weigering.

Nietwaar, ongerijmder kan het bijna niet!

 

Twijfel aan ons zelf.

Dit artikel heeft als opschrift: "Zeggen en doen". Daar bestaat onderscheid tussen. Dat ondervinden wij dagelijks in onze menselijke verhoudingen. Maar wanneer het om onze verhouding tot God gaat - want dat met de vader in deze gelijkenis God en met de zoons de mensen, u en ik, worden bedoeld, daaraan twijfelt wel niemand - dan maakt de Heer Jezus niet alleen onderscheid, maar een scherpe tegenstelling tussen zeggen en doen. Want de zoon, die neen zegt, doet ja, en de zoon, die ja zegt, doet neen.

Wat heeft de Heiland hiermede bedoeld? Niet, dat dit de enige twee mogelijkheden zijn in de verhouding van de mens tot God. Er zijn er gelukkig ook, die ja zeggen en ja doen. Zoals er ook zijn, die neen zeggen en neen doen. Maar wij mensen blijven dikwijls bij die onderscheiding staan Wij verdelen de mensen vaak in twee groepen: aan de ene kant zij, die ja zeggen en - naar nze mening - dus ook ja doen. En hier gaat de Heer Jezus in deze gelijkenis nu dwars tegen in. Het is niet zo vanzelfsprekend als wij wel denken, dat zij, die ja zeggen ook ja doen. Evenmin als het van zelf spreekt, dat zij, die neen zeggen ook neen doen. Zo simpel als wij het vaak voorstellen, is het niet. Daar is niet een tweeledige onderscheiding, maar een vierdelige. Naast de twee groepen, die wij onderscheiden, zijn er nog twee groepen, veel groter misschien dan de beide eerste: de groep van hen, die ja zeggen en neen doen en de groep van hen, die neen zeggen en ja doen. Voelt ge, dat wij onze zekerheid beginnen te verliezen? Bij die onderscheiding in twee groepen voelen wij ons veilig. Vooral als wij behoren tot de groep van hen, die ja zeggen. En van wie wij maar aannemen. dat zij ds ook ja doen. Van wie wij dat aannemen bij anderen. En misschien ook bij onszelf? Maar wanneer die groep van ja-zeggers ook in tween uiteenvalt, zoals de Heiland het ons hier tekent? Dan komt er een gevoel van aarzeling, van twijfel bij ons op. Twijfel aan anderen. Twijfel ook aan ons zelf?

 

Het gevaar van ja zeggen.

De strekking van de gelijkenis gaat echter nog dieper. De Heer wil onze aandacht vestigen op het gevaar van het ja zeggen. Daar kijken wij misschien van op. Is dat dan niet prachtig wanneer de mens ja zegt tegen God? Inderdaad dat kn prachtig zijn. Maar het behoeft het niet te zijn. Het gevaar bestaat hierin, dat wij van tevoren al aannemen, dat het prachtig is. Omdat het ja-zeggen ons in slaap sust met de gedachte, dat wij daarmee al tot het ja-doen gekomen zijn. En dat nu is juist niet het geval, zoals onze gelijkenis illustreert. De Heer heeft niet verteld, wat er, in het hart van de model-jongen is omgegaan toen zijn vader hem alleen liet. Heeft hij innerlijk lopen genieten van zijn voorbeeldige houding? Heeft hij vergelijkingen gemaakt tussen zich zelf en zijn broer? De manier waarop hij antwoord gaf geeft te denken. "Ik ga wel, op mij kunt U rekenen." Stond daarachter misschien de onuitgesproken gedachte: Die broer van mij zal wel weer neen gezegd hebben? Wij weten het niet, het zijn vragen die bij de overdenking van deze gelijkenis bij ons rijzen. Maar de mogelijkheid is toch niet uitgesloten, dat hij zelf innerlijk z genoten heeft van zijn ja-zeggen, dat hij tot het volvoeren van de opdracht niet kwam. En anders moeten wij wel aannemen, dat hij zijn ja geheel gedachtenloos heeft uitgesproken.

 

"Mijn zoon geef Mij uw hart."

Daarnaast heeft de Heer ons willen wijzen op de mogelijkheid van zegen, die in het neen-zeggen kan liggen. Daar kijken wij misschien nog meer van op. Is er iets vreselijkers denkbaar, dan dat een mens z tegen God durft te zeggen: "Ik wil niet"? Houdt daar niet alles bij op? Inderdaad, dat kn, maar het behoeft niet altijd zo te zijn. Het kn zijn, dat een mens wakker schrikt van zijn eigen neen, dat hij tegen God heeft uitgesproken. Zoals die onhebbelijke jongen, toen vader hem alleen liet met zijn gedachten. Het was toch wel heel erg, wat hij gedaan had. Hij had "Ik wil niet" gezegd tegen zijn vder! Hij had vaders bedroefde gezicht gezien. Langzaarn steeg het schaamrood in zijn wangen. Hij kreeg een afschuw van zich zelf en het berouw werd in zijn hart geboren. Met gebukt hoofd en brandende tranen is hij tenslotte naar de wijngaard gegaan. Om ja te doen!

God spreekt ieder mens in zijn leven aan. Niemand zal Hem het recht daartoe ontzeggen. Hij vraagt van ons gehoorzaamheid, de toewijding van ons hart. Als onze Schepper eist Hij van ons, dat wij in ons korte aardse leven bereid zullen zijn Hem te dienen. Hij heeft het de mens gevraagd door zijn geweten. Hij vroeg het Isral door de wet. En nu, in de tijd der genade, vraagt hij het misschien meer dan ooit door het evangelie. Maar de vraag is altijd dezelfde: "Mijn zoon geef Mij uw hart." Dat hart, van waaruit de uitgangen des levens zijn. De grote centrale, waar de impulsen van ons leven gewekt worden. Dat hart, waarvan de Schrift zegt, dat het arglistiger is dan enig ding. Dat wij zelf zo slecht kennen.

 

Geen waarde voor God?

Hoe luidt ons antwoord op het beroep, dat God op ons doet? Als godsdienstige mensen behoeven wij over die vraag niet lang te denken. Natuurlijk zeggen wij ja. Wat zouden wij anders moeten zeggen?

Door onze geboorte en opvoeding behoren wij misschien wel tot het kamp van de ja-zeggers. Wij bezoeken de samenkomsten. Alleen daardoor zeggen wij al ja. En door ons zingen en meebidden wordt dat ja telkens herhaald. In ons persoonlijk leven en in het leven van de mensen om ons heen is het ja-zeggen misschien niet van de lucht. Het is alles "ja" wat de klok slaat. Wij vinden dat prachtig en zijn geneigd te zeggen: "Hoe meer. hoe liever!" Wij weten wel, dat hiermee niet alles gezegd is, maar wij menen, dat het althans een goed begin is. Dat wij daarmee al een heel eind in de goede richting zijn. Neen, zegt de Heiland in deze gelijkenis, dat is juist het gevaar van het ja-zeggen. Het kn wel goed zijn, maar behoeft dat nog niet te zijn. Hoeveel ja's worden er niet gedachteloos uitgesproken! Als tien procent van alle ja's, die op n Zondag in onze samenkomsten uitgesproken worden, oprecht gemeend was, zou het er dan in onze kring niet heel anders uitzien? En hoeveel ja's die misschien niet gedachtenloos worden uitgesproken, hebben tch geen waarde voor God, omdat zij slechts verstandelijk en koud zijn en het hart er niet achter staat?

Heel het hoofdstuk, waarin deze gelijkenis staat, is vol van mensen die met hun mond en hun optreden ja zeggen en met hun hart toch neen doen. Daar is allereerst sprake van de intocht in Jeruzalem. Het volk juicht "Hosanna"! Dat is ja-zeggen. Straks zullen zij roepen: "Kruisig Hem"! Dat is neen-doen in zijn verschrikkelijkste vorm. Dan volgt de geschiedenis van de tempelreiniging. Heel de tempel met zijn indrukwekkende eredienst, met zijn offer-cultus, waaraan stipt de hand werd gehouden, het was n groot ja-zeggen. Maar de Heer heeft er de leegheid van doorschouwd en zegt: "Gij hebt van dit huis des gebeds een rovershol gemaakt" en laakte zo hun neen-doen. Ook de geschiedenis van de verdorde vijgeboom is een duidelijke illustratie. Een boom vol van de bladeren van het ja-zeggen zonder ook maar n vrucht van het ja-doen.

De werkelijkheid blijkt zelfs nog erger te zijn, dan de Heer het in de gelijkenis heeft geschilderd. Want de zoon, die ja zei, wist heel goed, dat hij tenslotte tch niet in de wijngaard was gaan werken. Maar de Farizeen, die zich zelf als model-dienaren van God beschouwden, verbeeldden zich, dat zij wel degelijk in Gods wijngaard arbeidden. In de gelijkenis van de boze landlieden heeft de Heer in Zijn liefde hun ogen willen openen, opdat zij zich zelf zouden herkennen. Tevergeefs! Israls leidslieden gaan heen om voorbereidingen te treffen voor Zijn gevangenneming en brengen zo hun neen-doen in al zijn afschuwelijkheden aan het licht. Ook wij kunnen ons een leven lang verbeelden, dat wij in Gods wijngaard gearbeid hebben en tenslotte tch tot de erkentenis moeten komen, dat wij allerlei andere doeleinden. hebben nagestreefd.

 

Inkeer en berouw.

Er zijn ook mensen, die in hun leven neen zeggen tegen God. De Heer noemt voorbeelden in vers 31. Er zijn er, die neen zeggen met hun geld, er zijn er die neen zeggen met hun natuurlijke driften. Het financile en het sexuele zijn bij uitstek geschikt om er neen mede te zeggen tegen God. Dat is heel erg, niemand, die er aan twijfelt, maar daarop wordt in deze gelijkenis niet de nadruk gelegd. De Heer wijst op de mogelijkheid, dat zij de ja-zeggers vrgaan in het Koninkrijk Gods. Omdat in hun neen-zeggen de mogelijkheid, de gezegende mogelijkheid ligt opgesloten, dat zij wakker schrikken en tot inkeer en berouw komen. Zodat niet zij de verloren zonen zijn maar die anderen, die hun vader zovele jaren hebben gediend en nooit zijn gebod hebben overtreden (Luk. 15 : 29). Dat gaat dwars tegen de begrippen van de fatsoenmens in, maar geeft ons daarom zoveel te denken.

Nietwaar, de hoofdindruk, die deze gelijkenis bij ons achterlaat, is toch wel een gevoel van onzekerheid. Er blijkt geen enkel woord of geen enkele handeling te zijn, waardoor wij de waarborg krijgen, dat hij, die ja zegt ook ja doet. Omgekeerd is het neen-zeggen van anderen misschien een publiek geheim, zij zitten er voor in de gevangenis en het staat in de kranten. Maar de tranen van inkeer en berouw, waar het volgens de Heiland uiteindelijk op aan komt, blijven voor ons verborgen en worden alleen door God gezien. Zo groeit het angstig vermoeden in ons hart, dat deze gelijkenis bij uitstek toepasselijk is op het kamp van de ja-zeggers.

 

Zelfonderzoek.

Het ergste is echter, dat wij onzeker worden van ons zelf! Of is dat wel zo erg? Wanneer wij eens gaan twijfelen aan onze eigen christelijkheid? Als wij eens even ophielden met ja-zeggen en ons zelf eens gingen onderzoeken op ons ja-doen? Misschien, dat de Heiland dan juist Zijn doel met deze gelijkenis bij ons begint te bereiken. Mits wij dan maar niet in dat gevoel van onzekerheid over ons zelf blijven steken, maar het ons uitdrijft tot de Rots der eeuwen, de enige zekerheid, die wij bezitten. En in ons hart de bede geboren wordt van de psalmist in Psalm 139: "Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij, en ken mijn gedachten, zie, of bij mij een heilloze weg is; leid mij op de eeuwige weg."

Het beschamende van deze gelijkenis is, dat het "ik wil niet" bij beide zoons gevonden wordt, bij de een in het openbaar, bij de ander in het verborgen. Wanneer wij ons in Gods licht stellen zullen wij tot de erkenning komen, dat het ook nog altijd diep in ons hart aanwezig is. In ons binnenste leeft nog altijd de opstandigheid tegen God. Om onder dat "ik wil niet" uit te komen, moeten wij het niet verdoezelen met vrome praatjes, maar de weg van het berouw betreden. Hoe meer wij dat neen-zeggen in ons hart herkennen en belijden, des te groter is de kans, dat wij tot het ware ja-doen komen. Dan zal dat ja wel soberder en ootmoediger worden, maar daardoor juist aan waarachtigheid winnen.

Tenslotte - en dat is de laatste gedachte, die deze gelijkenis bij ons oproept - moeten wij niet blijven staan bij de zoon, die neen zei en ja deed en ook niet bij de zoon, die ja zei en neen deed, maar bij de derde, hier ongenoemde Zoon, Die met een volkomen hart steeds ja gezegd en in een volmaakt leven steeds ja gedaan heeft, Jezus Christus, onze Heiland!

 

J. M.