Wonderen en tekenen in de Bijbel

 

X

 

Het Plantenrijk

 

Het ontstaan van het plantenrijk wordt ons medegedeeld in het eerste hoofdstuk van Genesis. Het verhaal wordt gegeven in 2 of 3 verzen, maar die hebben ons heel wat te zeggen.

  1. dat op Gods bevel het plantenrijk op aarde ontstond,

  2. dat de eenvoudigste vormen het eerst worden genoemd, daarna de hogere; vrucht- en woudbomen.

Het is menigmaal aangetoond, dat de rangorde, waarin de geslachten in het planten en dierenrijk verschenen, zoals het in Genesis 1 wordt medegedeeld, nauwkeurig wordt teruggevonden in de geologische overblijfselen, die men ontdekt heeft.

  1. dat God aan de planten de macht gaf tot voortplanting: "welke zaad bevatten", en dat ieder zaad geeft "naar zijn aard".

 

De mens mag doen wat hij wil door enting, cultuur, bevruchting, enz. om de soorten te variren, en hij mag hiermede schone resultaten hebben bereikt, maar om soorten te vermengen, moet hij soorten hebben om te vermengen. De drie woorden "naar zijn aard" zijn van z grote betekenis, dat hiermede alle theorien van de evolutie worden beheerst. Helaas willen "geleerden" dit niet altijd erkennen.
Ik acht het van belang hieraan extra aandacht te schenken.

 

Dr W.J.A.Schouten zegt in zijn boek "evolutie", dat prof. Newman verklaart: "Eerlijkheid gebiedt de evolutionist te erkennen, dat er gn absoluut bewijs voor de organische evolutie bestaat". Toch aanvaardt Newman ze, want anders zou hij moeten aannemen, dat de afzonderlijke soorten geschapen zijn, en dat wil hij in geen geval, daarvoor heeft hij te grote minachting.

Prof. Koningsberger zegt in zijn boekje "Inleiding tot de biologie": "proefondervindelijk bewijzen liet de evolutie zich echter niet zij gaat in haar consequenties in het zuiver speculatieve over".

 

Ergens in een tuin stond een boom in volle bloesempracht. Een heer die er vol bewondering naar keek vroeg aan een jongen: wat is dit voor een boom? "Ik weet het niet" antwoordde de jongen, "maar verleden jaar hingen er pruimen aan. Wij vinden het heel aannemelijk en gewoon, dat er volgende jaren opnieuw pruimen aan hangen." "Leest men druiven van doornen, of vijgen van distels" (Matt. 7 : 16). Dit is nog steeds niet mogelijk en daarmede is in enkele woorden gezegd, dat er geen verandering van soorten mogelijk is. Men kan door cultuur-technische vooruitgang veel variatie brengen in kleuren van bloem en plant, maar nooit krijgt men van een kastanje een druif, of van een goudsbloem een dahlia.

Dit is zeer belangrijk, en als we aan de uitspraken denken van bovengenoemde geleerden mogen we ons wel gelukkig prijzen als we behoren tot degenen die zich onderwerpen aan het Bijbelse scheppingsverhaal.

 

Toen God de aarde getooid had met planten en bloemen heeft Hij Zijn werk aanschouwd en gezien dat het goed was. Hij heeft lust aan schoonheid en Zijn oog moet zich aan alles verlustigd hebben, want Hij Zelf roept ons toe aandacht te schenken aan de bloemenpracht. "Zelfs Salomo, in al zijn heerlijkheid, is niet bekleed geweest als de lelin des velds."

Hoe moet Hij zijn, die zulk een weelde overvloedig aan de vergankelijke bloemen van deze aarde uitdeelt, met haar uitgelezen kleuren, volmaakte vormen, heerlijke geuren, en eindeloze verscheidenheid. Hij, Die ze in overvloed doet groeien.

Hij schonk niet alleen aandacht aan haar uiterlijke schoonheid, maar Hij gaf ze allerlei eigenschappen om voor verschillende doeleinden te dienen. Het is niet toevallig, dat zovele planten en plantendelen, vruchten, bladeren, stammen en wortels zijn gegeven als voedsel voor mens en dier; dat andere dienen als medicijn, andere als vergif of tegengif. Het is onmogelijk ook maar n tiende gedeelte op te noemen van al hetgeen waarvoor plantaardige producten worden gebruikt, maar hoe weinig wordt Gods hand hierin gezien. Het is nog zoals het bij Isral was: "Zij echter beseft niet, dat Ik het ben, die haar het koren, de most en de olie heb gegeven" (Hosea 2 : 7).

 

Na de val van de mens heeft God de aardbodem vervloekt. Niet dat de schone bloemen zouden verdwijnen, maar "doornen en distelen zal zij u voortbrengen". Voortaan zou moeizame arbeid moeten worden aangewend om de aardbodem productief te maken.

De aarde zou vanzelf in overvloed voortbrengen, planten die betrekkelijk nutteloos en schadelijk zijn en die de andere verhinderen ongestoord te groeien; maar de mens moet zich zr inspannen en gebruik maken van al de kennis, die hij maar verkrijgen kan, wil de aarde voldoende vrucht geven. Reeds in Genesis 5 lezen we dat Lamech zegt bij de geboorte van Noach: "deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem, die de Here vervloekt heeft". Deze vloek rust nog op de aarde. Zij, die de val van de mens loochenen, kunnen niet loochenen dat de landbouwer moet zwoegen, als hij een goede oogst wil binnenhalen, en dat hij alleen maar de aarde aan haarzelf behoeft over te laten, om een oogst van doornen en distelen te hebben.

 

De plantenwereld wordt door de Schepper gecontroleerd, evenzeer als het dierenrijk. Het is altijd waar, in het natuurlijke zowel als in het geestelijke, dat, hoewel de ne plant de ander nat maakt, God alleen de wasdom geven kan. Vruchtbaarheid of onvruchtbaarheid van de aarde is geheel afhankelijk van Gods wil. De zeven magere jaren in Egypte waren direct toe te schrijven aan Gods bestuur. Jozef zegt tot Farao: "God heeft Farao bekend gemaakt, wat Hij doen zal".

 

Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des Heren daarover waait. Als de Heer de onvruchtbare vijgeboom vervloekt en zegt dat van hem in eeuwigheid geen vrucht meer komen zou, gebruikt Hij slechts de macht die Hij al zo dikwijls heeft aangewend.

 

Als Isral de Here zou verlaten, zegt Mozes: "Veel zaad zult gij naar de akker brengen, maar weinig verzamelen, want de sprinkhaan zal het afvreten. Olijfbomen zult gij hebben in uw gehele gebied, maar gij zult u niet met olie zalven, want uwe olijven zullen afvallen" (Deut. 28 : 38 en 40).

 

Wij lezen dat met de staf van Mozes en Aron bijzondere dingen geschiedden. De staf werd veranderd in een slang en daarna weer in een staf. Het dode hout veranderde in een levende slang die de staven van de tovenaars opat. In Numeri 17 wordt ons een ander wonder beschreven met Arons staf. Twaalf staven werden neergelegd voor het aangezicht des Heren, met de namen van de twaalf stammen, maar op de staf van Levi de naam van Aron.

De volgende dag bloeide de staf van Aron en droeg rijpe amandelen. Verborgen voor het oog van de mens was er leven gekomen in de dode staf. Dit was om het volk te tonen dat hij degene was die God verkoren had. Van Christus wordt gezegd: Die verklaard is als Gods Zoon in kracht, naar de Geest der heiligheid, door de opstanding der doden (Rom. 1 : 4).

Er kan geen twijfel bestaan dat Hij door God was aangenomen., sinds Hij was opgestaan uit de doden. Nadat de staf aan het volk getoond was, werd hij voor het aangezicht des Heren gelegd; zo was het toen Christus, opgewekt uit de doden, daarna vele dagen lang verscheen aan hen, die met Hem opgekomen waren van Galilea naar Jeruzalem, terwijl Hij nu gezeten is ter rechterhand van de Majesteit in den Hoge.

 

Wij bespraken reeds in een vorig artikel het eerste teken dat Jezus deed, n.l. het veranderen van water in wijn.

Hij is de Enige, die waarlijk weet hoe wijn gevormd wordt. Hij geeft de vruchtbaarheid aan de wijnstok. Hij maakt hem bekwaam de regen en de dauw in zich op te nemen en de druppels z te verwerken dat zij het sap van de druiven vormen. Bij de verandering van water in wijn sloeg Hij alle scheikundige veranderingen over, zodat de hofmeester dacht dat het oude wijn was, zacht van smaak geworden door zijn ouderdom.

 

Er zijn twee zeer practische lessen die wij van de bloemen te leren hebben:

  1. in hun broosheid zien wij een illustratie van de vergankelijkheid van het menselijk leven. Het is maar als een bloem van het gras, die spoedig afvalt.

  2. de schone les die onze Heiland gaf van de voorzorg van de Vader voor Zijn kinderen. "Indien nu God het gras des velds aldus bekleedt zal Hij niet veel meer u bekleden, kleingelovigen."

B. L.