Wonderen en tekenen in de Bijbel

Hoe groot zijn Uwe werken, o Here! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt, het aardrijk is vol van Uwe goederen.
Psalm 104 : 24

I

Men kan op verschillende wijzen de wonderen en tekenen bestuderen. De rationalist betwist ze, en tracht wonderen weg te redeneren. De apologeet (verdediger van het Christendom) verdedigt ze en tracht ze te bewijzen.
De gelovige bestudeert ze, opdat hij ze beter lere kennen.
De vereerder bestudeert en overdenkt ze, opdat hij erdoor tot aanbidding moge komen.

Vele schrijvers zien rst op de wonderen, en dan maken zij zich aan de hand van eigen mening verschillende voorstellingen van God.
Veel moeilijkheden zullen echter verdwijnen, als we deze volgorde omkeren, en eerst onderzoeken wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft over Zichzelf, en dan, in het licht van deze openbaring, de wonderen onderzoeken.

Wat is een wonder?

Een bovenmenselijke handeling.

Nu en dan voorkomende zichtbare handelingen van kracht, boven het menselijk kunnen, of een aanvulling van het menselijk vermogen, soms door menselijke bemiddeling tot stand gebracht.

Iets dat wij niet begrijpen, omdat het onze bevatting te boven gaat, en dat ligt boven het gebied der natuurwetten, voorzover deze door mensen zijn vastgesteld.
Als wij deze verklaringen willen aannemen, zullen we gaarne toegeven dat wij de wetten moeten kennen, waarop de uitzonderingen schijnen gemaakt te worden, willen we deze ongewone gebeurtenissen kunnen verstaan.
Zou iemand een boek willen schrijven over de uitzonderingen op de regels van de Nederlandse grammatica, dan zal hij ondervinden dat dit ondoenlijk is, zonder te verwijzen naar de regels zelf. Als wij beweren dat de wonderen afwijkingen zijn van bekende natuurwetten, moeten wij eerst iets verstaan van deze wetten.
Sommigen beschrijven een wonder als iets bovennatuurlijks, maar dit is geen verklaring, want iedere natuurwet is in zekere zin bovennatuurlijk. Als we zeggen dat een wonder iets is boven het menselijk kunnen, dan moeten we zeggen: de mens kan niets doen, dan wat God hem veroorlooft, en waartoe God hem in staat stelt. Hij kan geen enkele natuurwet in beweging zetten, noch een van deze wetten veranderen of matigen.

Voordat wij de wonderen willen bestuderen, zal het daarom goed zijn te onderzoeken wat ons in de Bijbel geopenbaard is betreffende de oorsprong van wat wij noemen "natuurwetten". Als we deze grondslag gelegd hebben, kunnen wij de wonderen rangschikken, zoals zij schijnen te behoren in de verschillende gebieden, waarin deze wetten van kracht zijn.
Het is in menig geval bijna onmogelijk een grens te trekken tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke, het gewone en het buitengewone, het wonder en de handhaving van natuurwetten.
De wetten die de gebeurtenissen van iedere dag leiden, zijn in zichzelf getuigenissen van Gods bekwaamheid en wijsheid, en die handelingen, die als wonderen worden beschouwd, zijn in de meeste gevallen tot stand gebracht door de bekrachtiging van deze zelfde wetten, in zeer opvallende wijze, of doordat zij worden versneld of teniet gedaan door grotere krachten. De Bijbel bewijst dat God de mate bepaalt, en dat de wetgever de bestuurder is van zijn eigen wetten. Bijvoorbeeld: een regenbui is een zeer gewoon verschijnsel: maar de Bijbel onderwijst ons dat zelfs de regen zo geheel en al onder Gods controle staat, dat Hij hem zendt, wanneer en waar Hij wil.

Evenzo leert ons de Bijbel dat Hij de bliksem en de donder bestuurt. God, als de waarachtige gebieder van de stormen, waarmede wij vertrouwd zijn, die zelfs tot op zekere hoogte voorspeld kunnen worden, en die aan natuurlijke oorzaken worden toegeschreven, is Dezelfde, die de krachten welke de plagen in Egypte veroorzaakten, onder controle had.
De zevende plaag - de meest verschrikkelijke donder - hagel - en vuurplaag, die ooit in Egypte geweest is, was een wonderlijke vertoning van Gods grootheid en macht. Zij was ongemeen in hevigheid, zij was volkomen plaatselijk, want in het land Gosen was er niets aan de hand; zij was stipt in haar aanvang en einde.
Na n van de plagen zeiden de tovenaars tot Farao: "dit is Gods vinger." De Bijbel onderwijst ons te letten op de handelingen van Gods vinger (Ex. 31:18, Deut. 9:10, Psalm 8:4, Danil 5:5, Lukas 11:20, enz.).
De wonderen zijn slechts diepere afdrukken van die vinger, waarop zelfs zij, die God niet kennen, verplicht zijn acht te slaan, zoals in Egypte. Maar Gods eigen volk mag zich verheugen in het stempel van Gods vinger, zowel in de kleinere gebeurtenissen van het leven, als in de werken der natuur. Als men dit heeft leren opmerken, zal men vermoedelijk niet verzuimen de zachte aanraking van zijn hand te voelen.

Men zegt dat de tekeningen van de menselijke vingerafdrukken z verschillend zijn, dat er geen twee precies gelijk zijn; hoeveel moet dan wel de Goddelijke verschillen van de menselijke. Om de grotere manifestaties van het werk Gods te verstaan, moeten wij trachten iets te verstaan van de zgn. kleinere. Het is niet gemakkelijk te zeggen wat de grotere dingen zijn, want de regelmatige herhaling van de dagelijkse gebeurtenissen maken, dat ze van minder belang schijnen.

De studie van de wonderen is een belangrijk onderwerp, daar wij door de Bijbel Gods directe tussenkomst ontdekken in zijn gehele wereld. En als we alles gezien hebben wat we kunnen zien, als we door de microscoop en de telescoop de kleinste en de grootste van zijn werken aanschouwd hebben, kunnen we nog maar zeggen met Job: "ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen: en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord" (Job 26 : 14).

De openbaringen van Gods kracht die in de Bijbel opgetekend staan, zijn te verdelen in twee klassen, n.l. die waarin God alleen werkt, zoals Hijzelf zegt als Hij zijn scheppingswerk heeft volbracht: "Ik ben de Here, die alles doe, die de Hemel uitbreid, Ik alleen, en die de aarde uitspan door Mijzelven" (Jes. 44 : 24), en die waarin Hij werkt door middel van zichtbaar handelende personen.
Als wij de wonderen van God willen verstaan, moeten wij de God van de wonderen leren kennen. Dit is het hoogste doel van alle studie; als dit niet het resultaat is, zullen we de wonderen tevergeefs onderzocht hebben. Er is zeker een progressie in een eerbiedig beschouwen van zijn handelingen. "God maakte Zijn daden bekend aan de kinderen Israls", zij zagen zijn wonderen, maar: "Hij maakte Zijn wegen bekend aan Mozes" ' (Ps. 103:7). Mozes was niet tevreden met het kennen van Gods daden, zelfs niet met Zijn wegen. Hij riep uit: "zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen" (Ex. 33:13). Dit was de wens van twee van de grootste bijbelhelden, want Paulus begeerde hetzelfde. "Opdat ik Hem kenne" (Fil. 3:10). Wij mogen er zeker van zijn dat dit het hoogste streven is, want God zegt: "Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, maar die zich beroemt, beroeme zich hierin dat hij verstaat en Mij kent" (Jer. 9:23 en 24).
Door het bestuderen van de Bijbel leren we God kennen, en sinds de God van de natuur de God van de Bijbel is, zullen we ervaren, dat wonderen minder moeilijk te geloven zijn, naarmate wij Hem beter leren kennen.

Sommige rationalisten ontkennen de mogelijkheid van wonderen, anderen ontkennen hun geloofwaardigheid; maar als wij aannemen wat de Bijbel verklaart over de verbinding die God had en heeft met Zijn heelal, wat wij mogen noemen de dagelijkse gebeurtenissen der natuur, zullen de wonderen ons niet onmogelijk schijnen.
Voor God is het heel gemakkelijk om ze te doen, voor ons is het heel gemakkelijk om erin te geloven.

Onkunde betreffende God maakt het geloof onmogelijk; kennis van God maakt het ongeloof onmogelijk.

Onbekendheid van Hem maakt wonderen ongelooflijk; kennis van Hem maakt ze eenvoudig.
Waar onwetendheid komt tot haarkloverijen, triumfeert het geloof en zegt: "Want Gij hebt mij verblijd, Here, met Uwe daden; ik zal juichen om de werken Uwer handen" (Ps. 92 : 5).

Men heeft dikwijls beweerd dat de Bijbel geen wetenschappelijk boek is, maar er is meer ware wetenschap in te vinden dan meestal wordt verondersteld, en het is zeker dat de Bijbel de sleutel bevat voor alle wetenschap, wat de Godsopenbaring betreft. God behoeft niet door openbaring bekend te maken, wat ontdekt kan worden door onderzoek.

B.L.