"Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad"

XI

 

De Heer Jezus heeft de gaven, waarover wij in het vorig artikel schreven, in zijn mensheid ontvangen, en ze aan de mensen gegeven, om het werk van het evangelie en van de Gemeente Gods te voltooien. Zij, die deze gaven ontvangen, zijn verplicht daarmede te handelen overeenkomstig de wil van God, zielen te winnen, de gelovigen op te bouwen, hun Heer en hemelse Meester in alles te verheerlijken.

In Efeze 4 zagen wij de gaven voorgesteld tot opbouwing, gegeven door Christus Zelf, nadat Hij is opgevaren boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. Hier is sprake van de opbouwing van het Lichaam van Christus, dat opwast in Hem die het Hoofd is, Christus, om dat te bewaren voor verkeerde leringen.

In 1 Korinthe 12 zijn de gaven meer beschouwd als de werking van de Heilige Geest op aarde. Deze deelt aan een iegelijk uit, gelijk Hij wil. Hier hebben wij niet alleen de gaven tot opbouwing, maar ook gaven, die krachten des Geestes en tekenen van Zijn tegenwoordigheid zijn. Dit hoofdstuk beschouwt alles, wat als geestelijke openbaring kan worden aangezien, en terwijl het spreekt van de werking der boze geesten, wijst het de middelen aan, om deze van de goddelijke gaven te onderscheiden. Het stelt de leer van het Lichaam en de leden van Christus zeer duidelijk voor, en doet ons zien dat het een éénige Heer is, door Wiens gezag zij, die deze gaven bezitten, arbeiden, hetzij in de wereld, hetzij in de Gemeente, om het werk Gods onder de invloed van de Heilige Geest te volbrengen. Ieder lid is van de werkzaamheid van het andere afhankelijk, omdat allen door één en dezelfde Geest tot één Lichaam gedoopt zijn.

In Romeinen 12 en 1 Petrus 4 : 10 worden de gaven in het kort vermeld. In Rom. 12 worden de gelovigen gezien als één lichaam in Christus, als leden van elkander, met een bepaald doel. Zij worden vermaand met de ontvangen gaven de maat niet te overschrijden, maar zich te vergenoegen met de dienst, waartoe die gaven hun gegeven zijn.

In 1 Petrus 4 vermaant de Heilige Geest de gelovigen, zich van de ontvangen genadegaven te laten bedienen, als goede en getrouwe rentmeesters der menigerlei genade Gods. "Men spreke als woorden Gods; men diene als uit kracht die God verleent."

In deze gehele lering vinden we niets van ambten. Er is alleen sprake van de leden van het Lichaam van Christus, die allen aan de opbouw van het Lichaam deelnemen, én hiertoe verplicht zijn.

Niet allen spreken, niet allen verkondigen het evangelie, niet allen leren, omdat niet allen deze gaven hebben. Maar allen zijn verplicht, datgene te doen wat God hun heeft toevertrouwd te doen.

Zodra men verstaat dat alle Christenen leden van Christus zijn en dat ieder lid zijn eigen werk, zijn eigen roeping aan het Lichaam te vervullen heeft, is alles eenvoudig en duidelijk. Allen hebben een roeping te vervullen, en wel door de kracht Gods. De meest verborgene is misschien wel de meest belangrijke, die voor God en niet voor de mensen gedaan wordt, maar allen hebben iets te doen. Als wij de Schrift onderzoeken, dan is alles duidelijk. Wij zien dan, wat de prediking van het evangelie in de wereld, of de opbouwing der gelovigen in de Gemeente betreft, dat dit niet van de ambten, maar wel van de gaven afhankelijk is.

In de reeds aangehaalde gelijkenis uit Mattheüs 25 komt dit duidelijk uit. De Heer stelt dit grondbeginsel voor, dat de twee dienstknechten geprezen worden omdat zij gehandeld hadden zonder een bepaalde opdracht, doch alleen omdat de Heer hun iets had toevertrouwd. De derde wordt berispt en bestraft omdat hij geen vertrouwen stelde in zijn Heer. Wij zien hier twee dingen.

1. vertrouwt de Heer ons iets toe, dan zijn wij verantwoordelijk om daarmede te handelen;

2. doen wij dit niet, dan zijn wij schuldig.

De gaven zelf zijn een volkomen volmacht voor de arbeider, om daarmede te werken; indien de liefde niet aanwezig is, dan is hij schuldig. Het bewijs dat zij niet in hem werkzaam is, ligt hierin, dat hij met zijn gaven niet diende.

Hij is een luie, boze dienstknecht. Christus geeft Zijn gaven niet, om daarmede werkeloos te blijven; Hij geeft ze, opdat wij ermede werkzaam zouden zijn. Wij vinden dat dit onder de eerste Christenen beslist heeft plaats gevonden. Toen de vervolging na de dood van Stefanus de Christenen verstrooid had, gingen zij het land door en predikten het evangelie. In Handelingen 8 : 4 en 11 : 21 zien we dat de hand des Heren met hen was. Als God mij bekwaam gemaakt heeft om het evangelie te verkondigen, en ik doe het niet, dan ben ik schuldig. Paulus zegt in 1 Korinthe 9 : 16: "want wee mij, zo ik het evangelie niet verkondig!"

Ieder kan iets doen, soms op meer verborgen wijze, maar de geschiktheid voor de openbare verkondiging is juist de gave Gods. Wij toetsen de leraars niet op de vraag of zij een ambt bekleden, om ze te ontvangen. De apostel schrijft in 3 Johannes, dat wij een ieder naar zijn leer zullen beoordelen. Johannes zegt hier niet, dat we hun die zich als predikers voordoen, zullen vragen of zij een ambt of aanstelling hebben; hij prijst de geliefde Gajus omdat hij de broeders die voor de naam van Christus uitgegaan waren, had opgenomen, en spoort hem aan, hen op een Gode waardige wijze verder te geleiden, en op deze wijze werd hij een medearbeider der waarheid. Wat de prediking van het evangelie betreft, leert het Woord Gods ons, dat een ieder naar zijn bekwaamheid en de gelegenheid die God hem geeft, verplicht is het evangelie te verkondigen.

Met betrekking tot de opbouwing der gelovigen is Gods Woord even duidelijk. Niet alleen wordt ons in Efeze 4 en 1 Korinthe 12 de algemene waarheid voorgesteld, dat Christus de gaven gegeven heeft en de Heilige Geest daardoor werkt,. opdat het werk Gods zou volbracht worden; duidelijk en nauwkeurig wordt ook gesproken over de roeping dergenen die deze gaven bezitten.

"Een iegelijk, naarmate hij een genadegave ontvangen heeft, diene daarmede de ander, als goede rentmeesters der menigerlei genade Gods" (1 Petrus 4 : 10). In 1 Korinthe 14 vinden wij de regel aangegeven, naar welke de uitoefening der gaven moet plaatshebben.

"Dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen", "want gij kunt allen, één voor één profeteren, opdat allen leren en allen getroost worden." Jacobus toont ons duidelijk de ware grenzen van de dienst, zonder dit in betrekking te brengen tot de ambten, als hij zegt dat de gelovigen niet vele leermeesters zullen zijn, omdat dan de verantwoordelijkheid des te groter is en zij een te zwaarder oordeel zullen ontvangen. Blijkt hieruit niet zonneklaar dat de gaven en de dienst, die vanwege deze gaven door de gelovigen wordt uitgeoefend, volstrekt niets met ambten te maken hebben, en dat zij, aan wie God deze gaven heeft medegedeeld, verantwoordelijk zijn, ze tot opbouwing der heiligen te gebruiken? De Bijbel geeft de regel aan voor het besteden der gaven en zegt, dat de geesten der profeten den profeten onderdanig zijn, en dat alles tot stichting zij en geen verwarring plaatshebbe. Van ambten spreekt de Schrift hier met geen woord. Er is ook een te groot onderscheid tussen gave en ambt. De gave is overal geldig. Ben ik evangelist, dan predik ik het evangelie, waar God mij roept. Ben ik leraar, dan leer ik de gelovigen, naar mijn bekwaamheid, waar ik mij ook bevind. Apollos leerde te Efeze en was ook de gelovigen te Korinthe behulpzaam.