OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 80

 

In de tachtigste psalm wordt ons het volk IsraŽl voorgesteld als de wijnstok van Jehovah, overgebracht uit Egypte en gebracht in het land der belofte. Het is ook de aardse kudde, waarvan Hij de Herder is.

 

De eerste verzen geven ons aanleiding ons eerst nog met iets anders bezig te houden. Er wordt hier telkens gesproken over wederbrengen. "Breng ons weder, o God! en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden."

Deze bede vinden we drie malen letterlijk in de verzen 4, 8 en 20.

Nu kan dit, naar ik meen, niet zien op het uiterlijk wederbrengen naar het land, want ze worden ons als in het land zijnde voorgesteld. Het moet dus zien op het innerlijke, de toestand der ziel, en deze gedachte is voor ons wel belangrijk. Het gaat hier dan om het denkbeeld van bekering, of wederkeren tot God. Ernstige gedachte voor de ziel, die de gemeenschap met de Heer heeft gesmaakt, maar om welke oorzaak dan ook die gemeenschap moet missen, hoewel hij zich nog wel bewust is, het eigendom des Heren te zijn.

Hoewel het hier het gehele volk betreft, worden ons in vers 3 drie stammen voorgesteld. Het zijn de drie, die in de woestijn bij het optrekken der legers een bijzondere, begenadigde plaats innamen. In Numeri 2 wordt ons dit gemeld. De drie eersten die optrokken, waren Juda, Issaschar en Zebulon. De drie volgende waren Ruben, Simeon en Gad. Daarna, lezen we in vers 17 van Numeri 2, zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten in het midden der legers. Vervolgens worden ons genoemd EfraÔm, Manasse en Benjamin, die we hier in Psalm 80 terugvinden. Deze drie begenadigden, zo mogen we hen wel noemen, volgden dus direct de tent der samenkomst en waren in hun optrekken voortdurend met hun aangezichten naar het heiligdom gekeerd. Zij volgden alzo het Heiligdom des Heren op de voet en waren in de gelegenheid aanhoudend HEM te zien, Die tussen de Cherubs woont.

Is dit niet een beeld van de nabije gemeenschap met de Heer? Gelukkig de ziel, die het kent. De Heer te volgen op de voet en Hem te zien door het geloof, niet als zittende tussen de cherubs, maar aan de rechterhand des Vaders, is een bijzonder voorrecht.

Het is echter mogelijk, dat men de plaats der gemeenschap inneemt, zonder het genot der gemeenschap te smaken. Dat hangt van de innerlijke toestand der ziel af en mocht het zo zijn, dan past de drievoudige bede, die we hier vinden: "O God! breng mij weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zal ik verlost worden." Zo zal ik weder Uw gemeenschap smaken.

We vinden in de Schrift meer dan honderd maal het woord "Bekeert u". Zeer zeker is dat de verantwoordelijke kant voor elke zondaar of afgewekene. Enkele malen vinden we: "Bekeer mij, o Heer, zo zal ik bekeerd zijn." En de ziel gevoelt wel, dat, hetzij het bekering of wederkeren betreft, zij de genade van God nodig heeft. Vandaar het drievoudig roepen, dat we hier vinden: "O God! breng ons weder."

Geve de Heer, dat deze korte overdenking ons dienen moge. Zolang de afgedwaalde ziel niet is hersteld, wordt zij met tranenbrood gevoed.

 

Laten we ons nu nog enkele ogenblikken met IsraŽl als Jehovah's wijnstok bezighouden.

Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht en hebt die geplant (vers 9). Welig stond die wijnstok daar, want het was Gods planting, Zijn werk. De wortelen schoten uit, zodat het land vervuld werd. De bergen waren met schaduw bedekt, en zijn ranken waren krachtig, gezond, als cederbomen Gods. Van de zee in 't Westen tot aan de rivier in 't Oosten was het land met zijn scheuten vervuld.

Spoedig echter verandert alles. Het zwijn uit het woud wroet hem uit, en het gedierte des velds weidt hem af. Wat mag wel de oorzaak van deze verandering zijn? Is de verzorging niet goed geweest? Heeft de landman niet alles gedaan wat nodig was tot het voortbrengen van vrucht? De zeven eerste verzen van Jesaja 5 zullen ons het antwoord geven. Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? Ziedaar het antwoord van de Landman. Neen, de verzorging was wel goed geweest. Maar wat was dan de oorzaak van de snelle verandering die we zagen? Het was de ware wijnstok niet. Wel door Gods genade overgeplant uit Egypte naar het land des Heren, maar in zichzelf verdorven. Wederspannig in de woestijn, hardnekkig in het land, onvruchtbaar voor goede druiven. Het oordeel moest komen. En zie nu de overeenstemming, de verzen Jesaja 5 : 5 en Psalm 80 : 13 en 14. Was dan alles tevergeefs? Zou er dan nooit vrucht in IsraŽl gevonden worden? Ja, er zou in de toekomst een uit het volk geboren worden, die zich Zoon des Mensen zou noemen, maar die tegelijk Gods Zoon zou zijn (vers 18). Dat zou de stam worden, die Gods rechterhand planten zou, en dat van de Zoon, die Hij zich zou sterken. Over deze man van Gods rechterhand zou Zijn hand zijn, om des Mensenzoon, die Hij zich sterken zou. In Hem was hoop, hoop voor nieuwe vrucht, maar - door dood en graf.

Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jesaja 53 : 10).

Wat spruit er uit Uw graf een heerlijk zaad
van eeuwig leven,
Hoeveler ziel heeft U Uw God gegeven
Voor d' eeuwigheid.

De volle vrucht van dit werk zal straks gezien worden, ook voor IsraŽl, en dan zal de rechterhand des Heren de Zoon des mensen sterken in Zijn erfdeel.

Richten we nu nog een ogenblik ons oog naar Johannes 15. Daar hebben we de Heer Jezus, de ware wijnstok, overgebracht uit Egypte (Mattheus 2 : 15) en geplant in het midden van Zijn volk. De ware wijnstok door God geplaatst niet in de hemel, maar op aarde, met wie tot op een zekere hoogte allen verbonden zijn, die door belijdenis Zijn Naam dragen. Nu staan we niet meer op het IsraŽlietisch standpunt, maar hebben we vůůr ons de verantwoordelijke, belijdende Christenheid. Maar dan is het ook voor elk, die zich Christen noemt, de ernstige vraag: "Ben ik een vruchtdragende rank of niet-vruchtdragende rank?" Ik weet wel, dat de beoordeling van het al of niet vruchtdragen bij de Landman, de Vader, berust, maar om vrucht te kunnen dragen, moet men niet alleen een belijder zijn, maar in de wijnstok zijn, en in Hem blijven.

Wanneer wij nu aan de algemene Christenheid denken, is het al niet veel beter, zo niet slechter, dan bij IsraŽl. En ook hier is het niet, omdat er geen arbeid des Heren door Woord en Geest heeft plaatsgehad, maar omdat in de mens geen goed woont.

Voor de gelovigen is het echter van groot belang zich in Christus te zien en in Hem te blijven. Wie in Hem blijft, draagt veel vrucht. Wat de verzorging betreft, zijn zij aan de voortdurende zorg van de Vader overgegeven, die hen reinigt, soms door beproeving en lijden, naar Zijn wijsheid, opdat ze meer vrucht dragen.

Wie geen vrucht draagt, die neemt Hij weg. Schrikkelijke gedachte, een belijder van Christus te zijn geweest en straks in het vuur geworpen te worden. Mogen velen er nog toe komen, Hem niet alleen met de mond te belijden, maar ook met het hart in Hem te geloven.

 

J.A. Vellekoop