"Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad"

X

WAT ZEGT HET WOORD GODS OVER DE GAVEN?

 

Veel heeft de Bijbel ons medegedeeld over de gaven - weinig wordt er helaas in de Christenheid rekening mede gehouden. Men kan de gaven f als gaven van Christus f als het werk van de Heilige Geest, die thans op aarde is, beschouwen. De Bijbel doet beide. In de brief aan de Efezen, hoofdstuk 4, spreekt hij van de gaven van Christus. In 1 Kor. 14 spreekt hij van de eenheid des lichaams en van de gaven, als het werk van de Geest, in verschillende leden. In ieder geval zijn de gaven in verbinding met de eenheid van het lichaam, hetgeen men zeer duidelijk ziet in Efeze 4.

Allereerst willen we opmerken dat de gaven tweerlei zijn, n.l. die tot opwekking der zielen en tot opbouw der Gemeente dienen, en die, welke tekenen voor de wereld zijn, tekenen van de tegenwoordigheid Gods, in de persoon van de Heilige Geest in de Gemeente.

De brief aan de Efezen spreekt alleen van de eerste, de brief aan de Korinthirs van beide. Dit onderscheid maakt het Woord Gods zelf, waar het ons zegt, dat de talen tekenen voor de ongelovigen zijn, maar de profetie tekenen voor de gelovigen (1 Kor. 14 : 22). Dit onderscheid is van groot belang. Het is niet mogelijk dat iets van datgene zou ontbreken, wat tot bekering der zielen en tot opbouw, van de Gemeente nodig is. Het is echter begrijpelijk, dat God datgene, wat een sieraad van de Gemeente, en de getuigenis van haar goedkeuring is, terugtrekt, als de Gemeente ontrouw is en God niet vereert, maar de Geest bedroeft. Dit uitwendige teken bleef z lang in de Gemeente, als nodig was om de verkondiging der Christelijke waarheden te bevestigen.

Alle gaven dalen onmiddellijk van Christus, als het Hoofd, af, en hebben haar bestaan in de gelovigen aan de inwerking van de Heilige Geest te danken.

Deze twee belangrijke waarheden worden zeer duidelijk voorgesteld in Efeze 4 en 1 Kor. 12. Efeze 4 spreekt uitsluitend van de gaven, die tot het samenvoegen, tot de opbouw der Gemeente dienen. Christus is opgevaren in den hoge en heeft de mensen gaven gegeven. Deze mensen zijn dus vaten der genade geworden door de gaven die zij van Christus ontvangen hebben. Het fondament en de hoeksteen worden als de grondslagen genoemd van het gebouw, dat opwast tot een heilige Tempel in de Heer.

Dan zijn er evangelisten, herders en leraars. Zolang Christus de Gemeente liefheeft en de enige bron der genade is, zolang Hij de leden van Zijn eigen lichaam voeden wilt, z lang zullen ook deze gaven voor de opbouw der Gemeente, blijven. Deze gaven zijn werkzaam door de tegenwoordigheid en de kracht des Heiligen Geestes. Helaas zijn de Christenen dikwijls ontrouw en verwaarlozen de vermaningen, zodat de ontwikkeling der gaven en haar openlijke werkzaamheid menigmaal wordt belemmerd en verduisterd. Dit geldt zowel ten opzichte van het Christelijk leven, als van de practische toestand van de Gemeente.

Gelukkig dat Christus Zijn Lichaam steeds getrouw verzorgt. Daarop kunnen wij staat maken, hoewel wij ons moeten verootmoedigen over onze eigen ontrouw. Ook heeft de Heer ons gezegd dat de oogst groot is en de arbeiders weinige zijn, en dat wij de Heer des oogstes om de uitzending van arbeiders in Zijn oogst zullen bidden. Ieder die een gave ontvangen heeft, is daardoor een dienaar geworden van Hem die ze heeft medegedeeld. Wij zijn dienaren van Christus, de enige Herder onzer zielen, maar in het bijzonder is ieder gelovige zijn dienaar ten opzichte van de gaven die Hij hem heeft medegedeeld. Omdat Hij ze heeft gegeven, is ieder verantwoordelijk ze te gebruiken en ermede te handelen en wel voor dat doel, waartoe Christus ze hem gegeven heeft.

Ieder gelovige is onderworpen aan de algemene tucht van de Gemeente, zowel in zijn gehele leven, alsook, en wel in 't bijzonder, in zijn dienst. Hij dient echter Christus, en niet de mensen. Hij is tot zegen voor de vergadering, omdat hij Christus dient. Hij dient de gelovigen, omdat hij een dienaar van Christus is. Ook is hij verplicht te dienen, omdat hij daartoe iets van het eigendom des Heren ontvangen heeft. Dit is de leer van de gelijkenis van de drie dienstknechten, wier Heer buitenslands ging en hun zijn goederen overgaf, de een meer de ander minder. Waarom? Niet om er ledig en werkeloos mede te blijven, maar om er handel mede te doen. De drijfveer van het werk behoort te zijn de liefde van Christus en Zijn liefde voor de zielen, die in onze harten werkzaam is.

Indien die liefde mij dringt, en ik n van die zielen kan dienen, die Hij liefheeft, is het dan mogelijk dat ik werkeloos blijf? Zeker niet! De kracht om dit te doen, de nodige wijsheid, komt steeds van Hem, Wiens liefde in het hart is uitgestort. Om moed te hebben dit te doen, moet ik mijn vertrouwen op Christus stellen, anders zeg ik: misschien zal Hij mijn werk niet goedkeuren, misschien zal Hij met mij niet tevreden zijn, misschien is het te vermetel, misschien is het bij mij hoogmoed. De luiaard zegt: er is een leeuw op de weg: maar de liefde is niet werkeloos, doch verstandig, omdat zij haar vertrouwen op Christus stelt. De liefde verstaat wat de liefde wil, en volgt het voorbeeld van Christus, haar Leidsman. Dit is de werking van dezelfde liefde, die in Christus is, die waarachtige, ootmoedige wijsheid betoont. Zij is gehoorzaam en verstandig en verstaat haar roeping door de genade, terwijl zij door de liefde van Christus ook moed schept ze te vervullen. Wiens handelwijze heeft Christus goedgekeurd en erkend? Het gedrag van hem, die door dit hartelijke vertrouwen, zonder bevel gewerkt heeft, of van hem die het niet waagde? Wij weten het allen. De goedkeuring van Christus geeft voldoening aan het hart van de Christenen, en is voldoende om hem te rechtvaardigen. Als wij zijn geopenbaarde, uitgesproken goedkeuring hebben, dan kunnen wij al het andere buiten beschouwing laten. Wij moeten ook in dit opzicht, wandelen door het geloof. Zijn Woord is ons genoeg. Hij zal ons te rechter tijd voor de wereld rechtvaardigen.