"Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad"

IX

Na hetgeen wij in de twee vorige artikelen hebben geschreven over het ambt van ouderling, zou men de vraag kunnen stellen: staat er dan tevergeefs "indien iemand lust heeft tot een opzienersambt, hij begeert een treffelijk werk"?

Het ambt als zodanig is niet meer aanwezig en aan niemand is door God de macht gegeven, het weder te herstellen; maar het werk zelf, juist dat, wat de apostel roemt, kan door getrouwe gelovigen worden verricht.

Is dit niet belangrijk?

God zal nooit de vrijwillige dienst der liefde voor de Zijnen geringschatten of verachten. "Want God is niet onrechtvaardig, om uw werk te vergeten en de liefde, die gij bewezen hebt voor Zijn Naam, daar gij de heiligen gediend hebt en nog dient" (Hebr. 6 : 10). De Heilige Geest laat door de apostelen alle gelovigen aanmoedigen tot een dienst, die anders voornamelijk aan de ouderlingen was toevertrouwd. (Zie 1 Thess. 5 : 14 en 15 en Hebr. 10 : 24 en 25.) Zulke vermaningen vinden wij op vele plaatsen in het Woord van God. Het veld is uitgebreid genoeg om te arbeiden en het ontbreekt niet aan behoeften onder de heiligen om hun liefde te bewijzen en met de door God verleende gaven te dienen. Wij behoeven ons niet in de enge kring van een partij in te sluiten, en tegenover de geliefden Gods, die zich niet in deze kring bevinden, koud en onverschillig te zijn. Wij hebben veel genade nodig om temidden van partijen van allerlei soort, niet alleen uitwendig, maar ook inwendig, van alle partijgeest bewaard te blijven. Hoe dikwijls gebeurt het, dat zij,. die tot een partij behoren, in de vergenoegdheid met hun eigengebouwd huisje, de behoeften en gebreken van het Huis Gods vergeten.

Mogen ook velen onze dienst der liefde verachten en de ons door God verleende gaven niet erkennen - het is slechts tot hun schade. Voor ons geldt slechts deze éne vraag, of God ons erkent en of wij in Zijn Naam en tot Zijn eer de van Hem ontvangen gaven trouw gebruiken. Onze dienst behoort den Heer, voor Hem alleen zijn wij verantwoordelijk. Wij vinden vele liefelijke getuigenissen in de Bijbel van heiligen, wier getrouwe dienst, zonder in een openbaar ambt geplaatst te zijn, voor de Gemeenten zeer gezegend was. Lezen we hierover Romeinen 16 en 1 Korinthe 15 : 15 en 16. Wie had deze gelovigen tot hun dienst verordend en Wie erkende hen? God Zelf. Van de gelovigen wordt door de apostel geëist: "aan dezulken en aan een ieder, die medewerkt en arbeidt, onderdanig te zijn".

Nog één opmerking. Onder de Christenen uit de heidenen vinden wij, dat ouderlingen worden aangesteld door de apostelen of door hen, die volmacht van hen ontvangen hadden. Deze waren dus met dit ambt belast. Men vindt echter niet, dat ouderlingen op deze wijze werden aangesteld onder de Christenen uit de joden. Wat we lezen in 1 Petrus 5 : 5 "desgelijks gij, jongeren! weest de oudsten onderdanig" heeft geen betrekking op ouderlingen als zodanig, maar bedoelt het standpunt te bepalen van de jongeren tegenover hen, die ouder zijn.

Wat betreft de dienaren of diakenen, hiervan lezen wij in de Bijbel zeer weinig. Zij bedienden de Gemeenten en hadden, als aangestelde dienaren, bijzonder haar uitwendige behoeften en belangen te verzorgen. Er waren zowel dienaren als dienaressen (Rom. 16 : l). In Handelingen 6 is voor het eerst van deze dienst sprake. Hier worden op bevel der apostelen zeven mannen gekozen en door de apostelen tot deze dienst aangesteld. Al worden zij hier geen diakenen genoemd, zo deden zij toch hun werk. Wij lezen voorts, dat de apostel, evenals bij de ouderlingen, Timotheüs over de nodige eigenschappen van een diaken onderricht, en hem opmerkzaam maakt, dat hij zo iemand zal laten dienen, nadat hij hem eerst beproefd heeft. Hadden de diakenen gaven, dan moesten zij die tot eer des Heren in beoefening brengen en dit vinden wij bijzonder bij Stefanus en Filippus verwerkelijkt; en wij zien ook, hoe de Heer ze erkende (Hand. 6 : 8).

De apostel wijst er voorts op, dat het werk der diakenen, als men het in getrouwheid verricht, met veel zegen wordt bekroond (1 Tim. 3 : 13). Slechts een enkele maal heeft de Gemeente diakenen aangesteld, en wel, toen er reeds duizenden leden waren en men het enige jaren zonder hen had gedaan. Overigens wordt ons geen bevel gegeven om diakenen aan te stellen, en de Gemeente te Jeruzalem geeft ons alleen het voorbeeld, dat men mannen aanstellen mag om de belangen der armen te behartigen.

B.L.