"Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad"

VIII

Onwillekeurig komt de vraag bij ons op: wat heeft zovele Christenen bewogen om zelf ouderlingen aan te stellen?

Zij zeggen: wij hebben de behoefte gevoeld, ouderlingen te hebben, door wie de onordelijken in ons midden worden vermaand, en alle dingen onder ons trouw worden behartigd.

Wij mogen het gevoelen van deze behoefte waarderen, maar het mag er ons niet toe brengen zelfstandig op te treden. Veeleer moeten wij ons in gemeenschappelijk gebed tot God wenden, die toch in de eerste tijd der Gemeente ouderlingen liet aanstellen. Als men meent op eigen wijze te kunnen voorzien in een gevoelde behoefte, als men een zekere bevrediging hierin vindt, - deze bevrediging is niet uit God. De behoefte om ouderlingen te hebben komt dikwijls voort uit een verwerpelijke grond. Men zoekt, misschien onbewust, de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de toestand van de Gemeente te ontgaan, en sommigen op te leggen, maar God ontslaat ons niet. Het is zeker waar dat God in de eerste tijd aan de Gemeente ouderlingen heeft gegeven, maar Hij is niet aan deze weg gebonden, indien Hij ons zegenen wil. Wij hebben duidelijk aangetoond uit Gods Woord, dat God een gemeente als partij niet kan erkennen, en haar vleselijk noemt. Zou God nu, de tegenwoordige onwetendheid van zijn kinderen in aanmerking nemende, zijn karakter verloochenen? Zou Hij nu aan zulk een partij-gemeente ouderlingen geven? Johannes zegt in zijn eerste brief: 5 : 14, "en dit is de vrijmoedigheid die wij tot Hem hebben, dat, zo wij iets bidden naar zijn wil, Hij ons hoort". Kunnen wij van zijn verhoring zeker zijn, indien wij niet naar zijn wil bidden? Zeker niet. En toch gaat men daarin voort, als ware men verhoord, en stelt men zich tevreden omdat men gebeden heeft.

Wij geven gaarne toe, dat zich onder de z.g. ouderlingen waardige en getrouwe mannen bevinden, die voor velen tot zegen zijn. Wij worden echter niet drom gezegend, omdat zij door God op deze plaats gesteld zijn, maar omdat zij getrouw zijn en gewillig dienen. Dezulken zegent God steeds. Maar het ambt, als zodanig, is veelal een hindernis voor hen, omdat juist daardoor hun dienst beperkt is binnen een zekere partij en minder de overige gelovigen kan bereiken.

Velen denken dat slechts dr, waar men ouderlingen aangesteld heeft, een geregelde orde kan zijn, en dat, waar zij ontbreken, alles spoedig in de grootste wanorde moet verlopen. Dit zijn echter slechts menselijke gedachten; de Heer is voorzeker niet aan een ambt of aan een dienaar gebonden, om in zijn Gemeente de orde te bewaren. En was er geen wanorde toen de Heilige Geest ouderlingen aangesteld had?

Wij zien dat zelfs de apostelen, met alle ouderlingen en dienaren tezamen, niet bekwaam waren de orde te bewaren. Het hoogmoedige en ongebroken hart onderwerpt zich niet, ook zelfs niet aan de door God verordende en door alle gelovigen erkende dienaren der Gemeente, maar de ootmoedige Christen onderwerpt zich altijd aan het woord der vermaning, vanwaar het ook moge komen. Johannes zegt in zijn derde brief: Ik schrijf aan de Gemeente, maar Diotrephes, die gaarne onder hen de eerste wil zijn, neemt ons niet aan (vers 9). Johannes was een apostel van Jezus Christus, maar bij Diotrephes vond hij geen erkenning. In Korinthe, waar de apostel zelf het woord verkondigd had, gedurende anderhalf jaar, vinden wij spoedig daarna een grote wanorde (2 Kor. 2 : 4). Bijna in ieder hoofdstuk van de eerste brief komt de apostel met een andere vermaning.

In het eerste en derde hoofdstuk spreekt hij van de scheuringen; in het vierde van de verloochening van het standpunt als vreemdelingen in de wereld; in het vijfde van de verschrikkelijke hoererij onder hen; in het zesde over het voor het gerecht gaan, zelfs voor ongelovige rechters; in het achtste en tiende van de deelneming aan het afgodenoffer; in het elfde van de treurige wanorde bij het avondmaal en in het veertiende van verschillende ongeregeldheden bij het tezamenkomen tot opbouwing. Deze treurige toestand van de Gemeente heeft sommigen doen vermoeden, dat er geen ouderlingen geweest zijn, omdat de apostel met geen enkel woord over ouderlingen gewaagt. Veronderstel dat deze mening gegrond is, waarom stelt de apostel, wie de toestand van iedere Gemeente zozeer ter harte ging, ze dan niet dadelijk aan? Of, als ze er wel waren, - waarom wendt hij zich dan niet tot hen, indien de bewaring der orde van hen afhankelijk was?

Vele Christenen onzer dagen zouden deze wanorde f aan het gebrek aan ouderlingen, f aan hun ontrouw toegeschreven hebben. De apostel doet noch het een, noch het ander. Hij werkt door het woord op het geweten van ieder afzonderlijk, en zoekt bij allen het gevoel van verantwoordelijkheid te voorschijn te roepen.

We willen nu even stilstaan bij de gedachte dat de bediening van de doop en het avondmaal door ouderlingen moet verricht of bijgewoond worden. Hiervoor is in Gods Woord geen enkele aanleiding te vinden.

Wat de doop betreft moet men bedenken dat in de loop der eeuwen grote verwarring is ontstaan, wat betreft de betekenis van de doop, zowel als wat de bediening aangaat. Men doopt veelal met de bedoeling dat iemand daardoor wordt opgenomen in een bepaalde kerkelijke vereniging. Daar het Woord van God het onderscheid van kerken, zoals de mens die maakt, niet kent of erkent, kan dit dus nooit door God bedoeld zijn. De bijbel spreekt slechts van de Kerk naar Gods gedachte en de kerk in haar verantwoordelijkheid op aarde, maar maakt nooit bijzondere afdelingen.

Wij vinden allereerst dat de apostelen op last van de Heer de doop bedienen, maar Filippus, n der zeven mannen, die volgens Hand. 6 tot de uitwendige dienst der Kerk gekozen was, doopte ook (Hand. 8). In Hand. 10 zien we dat Petrus anderen Cornelius en zijn huisgezin laat dopen. Nergens lezen wij dat de ouderlingen tot deze daad volmacht ontvangen hadden, of dat er in het algemeen sprake is van volmacht voor dit werk. Paulus zegt: "Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen" (1 Kor. 1 : 17) en toch heeft hij sommigen gedoopt. Evenzo is het met de bediening van het avondmaal. Wij lezen van de eerste Christenen, dat zij dagelijks in de tempel volhardende waren en in de huizen brood brekende (Hand. 2 : 46).

Er wordt nergens van enige bediening van de zijde der apostelen of andere ambtelijke personen gesproken. Indien bij de broodbreking de tegenwoordigheid der ouderlingen nodig was geweest, dan zou men in de steden, waar Titus ouderlingen moest aanstellen, nog geen Gemeenten hebben gehad, of zij zouden de zegen van het broodbreken hebben moeten ontberen, totdat er ouderlingen onder hen waren aangesteld.

Richt Paulus zich tot de ouderlingen der Gemeente te Korinthe, als hij vermanend optreedt omdat er zoveel wanorde heerst bij het avondmaal? Neen, hij schrijft aan allen.

B.L.