"Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad"

VII

WAT VINDEN WE IN GODS WOORD OVER AMBTEN?

Bij het onderzoeken van deze vraag is het vr alles nodig de tegenwoordigheid en het gezag van de Heilige Geest in de Gemeente te erkennen.

Hij heeft het recht iedere beschikking in de Gemeente te maken, dienaren of beambten daarin aan te stellen, en iedere gave uit te delen, zoals Hij wil.

Iedere inbreuk op dit recht van de zijde der mensen is aanmatiging, als zou het geschieden door de meest begaafde gelovige. Wij mogen niet in de Gemeente handelen naar eigen goeddunken, maar alleen in onderworpenheid en afhankelijkheid. Wij zijn in alles voor God verantwoordelijk, en zullen deze verantwoordelijkheid dieper gevoelen naarmate er meer vreze Gods in onze harten is.

In de eerste tijd is er sprake van opzieners of ouderlingen, en van diakenen of dienaren. Laten we eerst spreken over ouderlingen.

De apostel schrijft aan Timothes (1 Tim. 3 : l): "Indien iemand lust heeft tot een opzienersambt. Hij begeert een treffelijk werk." Velen denken, dat de apostel hier het begeren van een opzienersambt prijst, hetgeen echter volstrekt niet blijkt uit deze woorden. Het begeren van dit werk kan uit een verkeerde gezindheid van het hart voortkomen. Vooral in onze dagen, waarin de voortreffelijkheid en het eigenlijke karakter van dit werk nauwelijks nog bekend is, zal het gevaar hiervoor groot zijn. Het werk als zodanig noemt de apostel hier een treffelijk werk. Hij prijst het werk, maar zegt niets van het voortreffelijke, er lust toe te hebben.

In Handelingen 20 : 28 vinden we de verantwoordelijkheid van deze dienst - een verantwoordelijkheid die. als zij in haar ware betekenis en omvang gevoeld werd, zeker ieder die naar zulk een dienst staat, zwaar op het hart zou wegen.

De ouderlingen waren opzieners in de Gemeenten Gods. Zij bezaten niet altijd gaven wat de bediening van het Woord aangaat (1 Tim. 5 : 17). Indien zij ook deze gaven hadden, dan waren zij voor het gebruik daarvan verantwoordelijk en moesten zij ze in beoefening brengen.

Laten we zien langs welke weg ouderlingen of opzieners tot dit ambt of deze bediening geraakten. In het aangehaalde vers uit Hand. 20 zien wij dat het de Heilige Geest zelf is, die hen in deze dienst aanstelde. Hij bediende zich daartoe, zoals we in andere schriftplaatsen zien, van de apostelen, en enige daartoe bijzonder aangestelde dienaren der Gemeente. We lezen in Hand. 14 : 23 van Paulus en Barnabas: "en nadat zij hun in elke Gemeente ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen de Heer, in Wie zij geloofd hadden."

In de brieven aan Timothes en Titus vinden we, dat deze beide dienaren der Gemeente van Paulus volmacht ontvangen hadden ouderlingen en opzieners in de Gemeente aan te stellen. Timothes werd niet rechtstreeks tot deze dienst geroepen. Hij was eigenlijk door de apostel te Efeze achtergelaten om over de leer te waken maar ook werd hij met de eigenschappen bekend gemaakt die een opziener moest bezitten. Titus echter werd bepaald tot dit doel in Kreta achter gelaten, "om in iedere stad ouderlingen aan te stellen" (hoofdstuk 1 : 5).

Verder vinden we over de aanstelling van ouderlingen niets in het Woord. Wij zien hieruit zeer duidelijk dat het uitsluitend een zaak der apostelen was, en van hen, die zij daartoe bevel gegeven hadden. Nergens vinden we dat de apostelen met een of andere Gemeente hierover onderhandeld hebben, en ook niet dat Paulus schrijft aan de Gemeenten dat zij ze zelf moeten aanstellen.

De Gemeenten moesten bediend worden, maar niet zelf de dienst verrichten. Hoe vreemd is het, als thans een vergadering van gelovigen, en nog wel zonder enig bevel, zich plaatst op het standpunt van Timothes of Titus, en haar eigen dienares wordt. Nooit kan men zeggen: wat aan Timothes of Titus is opgedragen, geldt ook mij.

Indien een dienstknecht zich aanmatigt het werk, dat aan een ander wordt opgedragen, k maar te moeten doen, zal zijn heer hem zeker een aanmatigend mens vinden. Zou het niet evenzo met de dienstknechten Gods het geval zijn? Zouden wij op de vraag, of iemand van God de opdracht heeft gekregen ouderlingen aan te stellen, wel ooit een oprecht "ja" als antwoord krijgen? Toch handelt men alsof men deze bevoegdheid wel heeft. We zijn echter voor alles wat we doen aan God verantwoording schuldig. Verricht men deze handeling in gemeenschap met anderen, dan wordt hierdoor de verantwoordelijkheid niet minder.

Wij kunnen noch individueel, noch in gemeenschap met anderen, iets dergelijks doen, als God het ons niet geboden heeft.

Velen mogen denken dat juist een Gemeente, omdat haar leden door persoonlijke omgang elkaar nauwkeurig kennen, het meest geschikt is de beste mannen uit te kiezen en als ouderlingen aan te stellen, de Heilige Geest heeft het niet zo gewild. Hij droeg deze aanstelling op aan bijzondere dienaren. Zij alleen waren met deze dienst belast, en zij wisten zeker, dat dit werk van God was.

Er is echter nog iets, waaraan wij moeten denken. De Heer wist van te voren hoe het met de Gemeente zou gaan. n.l. dat zij in een allertreurigste toestand van verval zou geraken.

Wij zijn er echter van overtuigd, dat Hij de Zijnen liefheeft, en niet vergeet. Zou Hij, als het Zijn wil geweest was, dat na het verscheiden van de apostelen de gelovigen zelf ouderlingen moesten aanstellen, dit niet door een enkel woord in de Schrift bekend hebben gemaakt? Wij geloven van wel. Hij heeft daarover echter niets gezegd, en nu mogen wij niet zelfstandig handelen. Wij mogen niet verder gaan, dan Hij ons veroorlooft en aanwijst, anders houden wij op afhankelijk en onderworpen te zijn. Al zouden we geheel te goeder trouw zijn, en menen dat een groot verlies hersteld zou worden - wij moeten ons volkomen en in ootmoedigheid onderwerpen.

God is, om ons te kunnen zegenen aan niets gebonden, aan geen reglement, aan geen persoon en aan geen ambt.

Daar God aan niemand het gezag verleend heeft ouderlingen aan te stellen, moeten wij wel tot de conclusie komen dat God dit niet wenst, en dat het ambt, als zodanig, niet meer bestaat.

Dat er z.g. ouderlingen zijn, die de mensen zelf gekozen hebben, verandert hieraan niets. Zij zijn het niet naar Gods gedachte.

Ter toelichting het volgende. In een plaats zijn verschillende kerkgenootschappen, door namen, belijdenis, of andere dingen onderscheiden, die voor zichzelf ouderlingen hebben gekozen. Welke van deze ouderlingen moet men nu erkennen als door de Heilige Geest aangesteld?

Niet n, omdat God hen niet erkent.

God kn hen niet erkennen, omdat Hij niemand met hun aanstelling heeft belast. God erkent niet n kerkelijke partij, maar noemt allen, die daaraan deelnemen, vleselijk. Hij kan ook niets erkennen, wat op deze foutieve grondslag gebouwd wordt.

In de Heilige Schrift zien wij, dat de door God aangestelde opzieners of ouderlingen nooit deze dienst voor sommige, maar voor alle Christenen aan n plaats hadden. En de gelovigen die in deze plaats woonden, werden ernstig vermaand hen als zodanig op een waardige wijze te erkennen en in ere te houden.

Wanneer een Kerk of Gemeente van haar ouderlingen beweert, dat zij door de Heilige Geest in dit ambt gesteld zijn, verklaart zij daarmede, dat alle gelovigen van die plaats verplicht zijn deze ouderlingen te gehoorzamen! Beweert zij, dat deze ouderlingen slechts voor "haar Gemeente" zijn, dan zijn zij niet door de Heilige Geest in hun ambt geplaatst, en behoeft ook niemand hen te erkennen en onderdanig te zijn, op grond van Gods Woord.

B.L.