Een broederlijk woord van waarschuwing

(uit het jaar 1875)

 

De broeders treden naar mijn mening een nieuw tijdperk in, dat voor hen bepaalde gevaren en meer verantwoordelijkheid brengt. Het gevoelen wint veld, dat de "broeders" iets hebben dat anderen missen, en ik geloof ook, dat dit zo is. Men zoekt en vleit de "broeders" vanwege hun Schriftkennis. Men wil hun boeken lezen om de waarheid te bezitten zonder dienovereenkomstig te handelen. Sommigen beweren zelfs, dat men de waarheid kan bezitten zonder de kerkelijke stelsels vaarwel te zeggen en dat men daarin moet blijven.

Belangrijk zijn echter niet de "broeders," maar wel de waarheid, die zij door genade mogen bezitten. God kan de "broeders" terzijde stellen en Zijn waarheid door andere personen doen verbreiden en Hij zal dit ook doen, als zij niet getrouw zijn. De belangstelling van anderen voor deze waarheid doet hun verantwoordelijkheid toenemen.

Indien het bij de "broeders" ontbreekt aan persoonlijke toewijding tegenover God, zijn zij een struikelblok voor de waarheid. Zij behoren niet te denken aan zichzelf, maar aan de zielen in de naam en de liefde van Christus, aan Zijn eer en waarheid. Nodig is: afzondering van en niet-gelijkvormigheid aan de wereld, zelfverloochening in liefde tot anderen, want "liefde uit een rein hart" is de vervulling van het gebod.

Mogen zij wandelen in liefde tot de waarheid, nederig, van de wereld gescheiden. Als zij tevreden zijn om, als in de aanvang, gering te zijn, dan zal God hen zegenen. Indien niet, zo zal hun kandelaar worden weggenomen, zoals die van anderen. Welk een smart en beschaming des aangezichts zou dat zijn na zoveel genade.

Er zij geen vermenging met de Christelijke wereld. Indien zij dit deden, wat voor reden van bestaan zouden zij hebben? Het is hun voorrecht, genade jegens haar aan de dag te leggen en als een lichtbaken in de tijd die zij zich hier bevinden "het kostelijke van het snode uit te trekken". (Jeremia 15 : 19.) Zo zullen zij als "Gods mond" zijn.

Ik herhaal het nog eens: laten zij op generlei wijze zich aansluiten bij de vermenging van de Gemeente met de wereld. De bedoeling van hun bestaan toch is daartegen getuigenis af te leggen en tegelijkertijd met ijver zielen te winnen voor Christus door het Evangelie.

Wat de grote werkzaamheid van buiten betreft, deze is een van de tekenen des tijds en de "broeders" moeten er zich in verblijden, zelfs indien Christus uit nijd en twist gepredikt wordt. God is vrij en kan werken in liefde, wanneer en zoals het Hem behaagt; wij moeten er ons in verblijden. Maar scheiding van het kwaad wordt niet gevonden, eer het tegendeel, te weten de vermenging, waar God de Zijnen uitvoeren wil.

Aanvallen te richten tegen een en ander ligt m.i. niet op onze weg. Petrus viel nooit de Overpriesters aan, maar ging zijn eigen weg. We dalen daardoor af van de verhevenheid der waarheid. De ware kennis van het standpunt van de Christen; daarnaast een vol Evangelie, toegepast in genade, dat is het wat ons moet kenmerken. Handel en wandel zij een getuigenis tegen het kwade. Zelfverdediging worde steeds vermeden. We mogen ons verheugen over de prediking van het Evangelie, maar het getuigenis der "broeders" buiten de legerplaats wordt er des te noodzakelijker om. Indien de "broeders" gemene zaak zouden maken met het huidige Christendom binnen de legerplaats, zouden zij slechts een nieuwe sekte zijn, die zekere waarheden bezit.

J. N. Darby