OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 69

 

We hebben hier een der zeer bekende lijdenspsalmen van onze Heer voor ons.

Wanneer we deze psalm lezen, worden we aangegrepen door de bange klachten, die over de lippen van onze Heer gekomen zijn, zo geheel in overeenstemming met wat Hij in Joh. 12 : 27 uitsprak, toen Hij over het tarwegraan sprak, dat in de aarde moest vallen en sterven: "Nu is mijn ziel ontroerd en wat zal Ik zeggen."

Alleen het aanschouwen van zulk een lijden brengt ons tot ontroering, maar ook tot aanbidding van Hem, Die volhard heeft tot het einde toe, bij al de smaad door mensen Hem aangedaan. Zeer zeker is David hier in zeer moeilijke omstandigheden geweest, gehoond en gesmaad door zijn vijanden en verlaten ook van zijn vrienden, maar het is toch duidelijk, dat hij, door de Geest van God sprekend, veel verder ging in zijn klachten dan zijn eigen lijden was.

Hij is hier de profeet, die, zonder het te weten, het lijden van de Messias schetste, door mensen Hem aangedaan. Hij is hier n van die profeten van wie Petrus spreekt, die in hun eigen geschriften hebben onderzocht en nagevorst, wat ze geschreven hadden en die het niet hebben verstaan dat het het lijden van Christus betrof en de heerlijkheid daarna.

Dezelfde Geest echter, die hen schrijven liet, wat zij niet verstonden, openbaarde hun ook, dat zij niet voor zichzelf de dingen bedienden, maar voor ons, opdat wij in de profetie omtrent Christus in het Oude, met de vervulling er van in het Nieuwe Testament, de gehele volheid zouden bezitten en kunnen verstaan van alles, wat omtrent Christus is medegedeeld. Ik zeg verstaan en wel door het geloof, niet begrijpen, dat is uitgesloten.

Zeer zeker vinden we ook, verbonden met Christus, ons in deze Psalm het overblijfsel voorgesteld in Zijn lijden en verlossing, wat wel blijkt uit de laatste twee verzen. Waar het echter zo duidelijk is, dat Christus persoonlijk hier de eerste plaats inneemt, willen we ons met Hem in het bijzonder bezig houden.

Nu is het niet mijn bedoeling dit gedeelte van vers tot vers na te gaan, daar het naar mijn gevoelen meer geschikt is tot overdenken van elk vers bijzonder, dan tot schrijven.

We willen ons bezig houden met de algemene strekking van deze Psalm ten aanzien van het lijden van onze Heer.

 

We hebben hier niet het verzoenend lijden van Christus, zoals we dat overdacht hebben in Psalm 22. Het is wel een en hetzelfde lijden, maar toch onderscheiden. Hier is het de Mens, Die vooraantreedt, in Psalm 22 is het God. Slechts eenmaal, in vers 27, klaagt hier de Heer "Zij vervolgen, die Gij geslagen hebt." Van wraak en straf over de vijanden wordt in Psalm 22 niet gesproken, wel worden de verlosten opgeroepen tot lof en dank. In Psalm 22 staat de mens er buiten, daar is het God, Die handelt. Tot zonde gemaakt en met zonden beladen, hangt Christus daar, verlaten van God.

Hier hebben we het lijden van Christus om der gerechtigheid wil, niet alleen echter in Zijn omwandeling op aarde in het midden van Zijn volk, maar tot op het Kruis, wat duidelijk blijkt uit vers 22, tot in de ure der duisternis. Daar zwijgt de mens, daar handelt God. We vinden hier dus de Heer overgegeven in de handen der mensen. Schrikkelijke gedachte, de Zoon van God, als heilig, zondeloos Mens, in de handen van zondige mensen. Dat is het, wat David eens begeerd heeft, om ervan bewaard te mogen blijven: "Laat mij niet in de handen van mensen vallen." (2 Sam. 24 : 14.) Hij wist, wie de mens is. Hij wist het, dat, wanneer de mens is overgegeven aan zijn hartstochten, hij, in wreedheid het dier te boven gaat.

Aan David nu is dit gespaard gebleven, maar aan Christus niet. Hij is overgegeven in de handen van zondige mensen, en die hebben het in hun vijandschap en haat tot het uiterste gedreven.

 

Waarom hebben ze de Heer Jezus niet onthoofd, zoals Johannes de Doper, of gestenigd, zoals later Stefanus?

Dan hadden ze Pilatus ook niet nodig gehad. Misschien zegt iemand: Het moest alles zo gaan naar Gods gedachte en dat is ook zo. Christus moest een gehangene zijn, een vloek. En in de persoon van Pilatus moest de gehele wereld schuldig staan aan Zijn dood.

Dit alles is waar, maar dit neemt niets weg van de verantwoordelijkheid van de mens. De onthoofding of steniging was niet schandelijk genoeg. Hij moest sterven, de verachtelijke, smadelijke en smartelijke dood des Kruises. Zo is de mens in zijn vijandschap tegen God. "De smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen", zegt de Heer in vers 10. Het was de vijandschap tegen God in het hart van de mens, die nu betoond werd aan Hem, Die van God gekomen en Gods Zoon was.

Welk een lijden is ook dit deel van het lijden van onze Heer geweest.

Dan spreekt hij over zijn dwaasheid en zijn schulden in vers 6. Wij echter zeggen:

't Was onze schuld, die op Uw schedel viel,
Ons overtreden....

Hij heeft onze zonden gedragen in Zijn lichaam op het hout.

Laat ons echter nooit vergeten, dat Hij ze gevoelde, alsof het de Zijne waren, z volkomen stelde Hij Zich in onze plaats, om ons een plaats te kunnen verwerven met Hem in heerlijkheid.

Diep beschamend voor de mens is ook het 13de vers. Allen verenigen zich, rijk en arm, voornaam en gering, om die Ene te honen en smart aan te doen en die Ene is de Zoon van God, in de handen der mensen.

Die in de poort zitten, dat zijn de vooraanstaanden onder het volk, zij, die daar als rechters gezeten zijn om het volk recht te doen, klappen van mij, verlustigen zich samen in allerlei schimpredenen, of misschien ook klappen over mij met de hand, als zij de Man van Smarten aanschouwen.

Maar ook het laagstaande volk, zij, die in gezelschap hun tijd doorbrengen, daar, waar de drank verhit en bedwelmt, hebben mij tot een snarenspel gemaakt, waarbij ze hun dronkemansliederen lallen, tot spot en hoon van Hem, Die in de handen der mensen was overgegeven. Diep beschamend voor de mens, maar diep smartelijk, voor het hart van Jezus. Wat zal er in Zijn ziel zijn omgegaan! Is het wonder, dat Hij in vertrouwen tot Jehovah roept: "Gij weet mijn versmaadheid en mijn schaamte en mijn schande, al mijn benauwers zijn voor U." (vers 20.)

Is het wonder, dat Hij roept tot de Here Jehovah in vers 14 en uitziet naar de tijd van Gods welbehagen en de dag der verlossing uit de handen der mensen?

Is het wonder, dat Hij in vers 21 spreekt over een gebroken hart vanwege de versmaadheid, als er niemand is, die medelijden met Hem heeft of troost biedt?

Is het wonder, dat Hij klaagt over de drank Hem aangeboden aan het vloekhout der schande?

Is het wonder, dat Hij Gods gerechtigheid inroept over zijn smaders en hen, die Hem de handen en voeten hebben doorboord en op Zijn rug hebben geploegd?

Zo zouden we kunnen voortgaan.

Ik heb hier maar enkele dingen aangestipt, laat elk voor zich ze overdenken.

Vanaf vers 31 ziet Hij de dag der verlossing en prijst Gods Naam, Zich tegelijk verheugende, dat degenen, die op de Heer vertrouwen in hun verdrukking niet te schande en moedeloos zullen worden, wanneer ze de uitredding zullen zien, die God voor hen bereid heeft. (vers 7.)

 

Welk een weg heeft onze Heer doorgemaakt, en al is het, dat we hier niet kunnen zeggen, in mijn plaats, wel kunnen wij zeggen: "Dit deed Hij voor mij."

Welnu, dan buigen we ons ook bij de overdenking van Psalm 69 in aanbidding voor Hem neer.

 

J. A. Vellekoop