Jakob, of de tucht

Jakob voor de dood

(Genesis 47 : 27-48)

Het getuigenis van Jakob betreft slechts de Koning van Egypte. Zijn eigen familie zal de vruchten zien en genieten die de tucht in de ontwikkeling van de nieuwe mens heeft voortgebracht.

De eerste dezer vruchten is de volle ontvouwing van het geloof van Jakob en deze triomfeert in het gedeelte, waarmede we ons willen bezighouden, en waarop gezinspeeld wordt in HebreeŽn 11 : 21: "Door het geloof zegende Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef en hij aanbad, leunende op het opperste van zijn staf."

Het eerste getuigenis van dit geloof, dat stilzwijgend voorbijgegaan wordt in HebreŽn 11, omdat het achtergehouden wordt om Jozef te karakteriseren, (HebreŽn 11 : 22) is het bevel, dat Jakob in betrekking tot zijn stoffelijk omhulsel gaf.

"Jakob riep zijn zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte, maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven."

En verder: "Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanašn gegraven heb, dŠŠr zult gij mij begraven." (Genesis 50 : 5.) Hij wil niet, dat zijn gebeente in Egypte blijft; geen atoom van zijn stoffelijk overschot, zoals later geen klauw van de kudden IsraŽls, zou daar achterblijven. (Exodus 10 : 26.)

God had aan zijn vaderen, Abraham en Izašk, beloofd, hun en hun zaad na hen het land Kanašn te geven en zij hadden deze belofte door het geloof aangenomen. Wel waren zij "in het geloof gestorven," d.w.z. "zonder de belofte verkregen te hebben," maar zij rekenden daarom niet minder op het erfdeel, dat God hun gegeven had.

Jakob geeft eveneens in het gezicht van de naderende dood uitdrukking aan hetzelfde geloof. In feite was het het geloof aan de opstanding. Hij wilde met zijn vaderen in Kanašn gevonden. worden - zij het ook in het graf van Machpela - als het ogenblik aanbreken zou om het erfdeel in bezit te nemen.

Ons geloof is hetzelfde als dat der aartsvaders, alleen met dit verschil, dat wij de opstanding niet met het oog op een aards, maar op een hemels erfdeel verwachten.

 

Jakob legt een tweede getuigenis af, als hij "Zich boog ten hoofde van het bed" (vers 31.)

Op het sterfbed, op het punt de geest te geven, aanbidt Jakob. Zou deze houding van de patriarch in het stervensuur de onze zijn? Het geloof verheft Jakob boven de omstandigheden en gebeurtenissen, en zijn dankgevoel drukt zich in stille aanbidding voor God uit.

 

Een derde getuigenis van zijn geloof, dat hier niet wordt vermeld, maar uit de "vertaling der zeventigen" (de Septuaginta) overgenomen wordt en ons door inspiratie in HebreŽn 11 : 21 wordt weergegeven, is de mededeling, dat "hij aanbad, leunende op het opperste van zijn staf". Hij heeft daardoor zijn karakter als vreemdeling tot het uiterste van zijn loopbaan zuiver bewaard.

 

Het vierde getuigenis zijns geloofs vinden we in de zegen van EfraÔm en Manasse. (vergelijk HebreŽn 11 : 21.)

Deze beide zonen van Jozef, die hem uit een vrouw uit de volken (Asnath) geboren waren (Genesis 41 : 50), nadat zijn broeders hem hadden verworpen, werden als erfgenamen der zegeningen van Jakob gerekend. De aartsvader erkent hen als zijn zonen, naar de verkiezing der genade, want zij hadden generlei recht er op te worden ingeplant in de boom der beloften. Doordat de grootvader de kleinzoons zegent, openbaart hij een diep inzicht in de gedachten Gods. Ja, deze door ouderdom zwakke grijsaard, die "niet zien kon", omdat zijn ogen "zwaar waren van ouderdom" (Genesis 48 : 10), heeft door het geloof een helderder blik dan Jozef, de beroemde dromenuitlegger .

Jakob had geen behoefte, zoals zijn vader Izašk, aan een kunstmatige opwekking om de zegen uit te spreken. Neen, zwak en op het punt van te sterven - wat bij Izašk niet het geval was - "versterkte zich IsraŽl en zat op zijn bed." (Genesis 48 : 2.) Hij bezat genoeg geloofsenergie om ten einde toe zijn getuigenis volledig te maken. Wat een energie was het, als men denkt aan de lange profetie, die toen volgde. Hij stelde de jongere voor de oudere. Welk een veroordeling ook daardoor van de strafbare handeling, die hij eens als volwassen man beging, over het gemis aan Godsvertrouwen, dat openbaar werd in hem, en over zijn vertrouwen op zichzelf! Destijds had hij niet geloofd, dat God zijn vader er toe brengen kon op een wijze te handelen, die tegenover zijn eigen wil stond. Nu doet hij met volle kennis van zaken, wat Jozef, zijn geliefde zoon, wilde verhinderen. "Ik weet het, mijn zoon, ik weet het."

De grond daarvan is, dat hij van God alleen afhankelijk is en in volkomen gemeenschap met Hem staat. Hij ontvangt zijn beslissingen uit het licht van het Heiligdom. Zijn ziel schat de genade hoog en hij had behoefte haar zijn geliefden mede te delen.

"De God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Izašk gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft van dat ik was, tot op deze dag, die Engel, die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongelingen en dat in hen mijn naam genoemd worde en de naam mijner vaderen Abraham en Izašk, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands." (48 : 15 en 16.)

Zijn vaderen hadden voor God gewandeld.

Jakob kon van zichzelf niet hetzelfde zeggen, maar des te meer waardeerde hij die genade, die hem van zijn eerste tot zijn laatste dag geleid had.

Dit alles is een waardevolle schilderij van het getuigenis des geloofs voor de familie Gods.

Het geloof omringt het sterfbed van Jakob met een stralenkrans. Door het geloof bestemt Jakob een dubbel deel voor Jozef, door hetgeen EfraÔm en Manasse ontvangen.

Hij, die eens door zijn broederen veracht en verworpen was, ontvangt het deel dat eigenlijk de eerstgeborene toekwam. (1 Kronieken 5 : 1, 2.) Het geloof geeft altijd de eerste plaats aan Hem, die door de wereld verloochend is.

 

Wat Jakob tenslotte zegt, toont ons, waartoe het geloof kan komen. We lezen in Genesis 48 : 22: "Ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen. hetwelk ik met mijn zwaard en met mijn boog uit der Amorieten hand genomen heb."

Had deze eenvoudige en vredelievende man wel ooit van zulke krijgswapenen gebruik gemaakt?

Maar hij is IsraŽl en ziet vooruit, hoe het volk, dat hij vertegenwoordigt, de Kanašnieten overwint en hun buit verdeelt. Zijn geloof verwezenlijkt op die wijze van tevoren de zegepraal van God door Zijn volk, alsof deze zijn eigen overwinning ware.