Jakob of de tucht

Jakob voor Fara÷.

(Gen. 47 : 7-12)

Jakob wordt nu in aanraking gebracht met de wereld en wel in de persoon van haar meest verheven vertegenwoordiger. Niet door hetgeen hij voor zichzelf nodig heeft, komt hij tot Fara÷, want dat had Jozef alles geregeld. "Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland ů en Jozef onderhield zijn vader en zijn broeders en het ganse huis zijns vaders met brood, tot de mond der kinderkens toe."

Het was evenmin door zijn eigen wil, want die is gebroken. Neen, het was door Jozef-zelf: "En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Fara÷s aangezicht." Als we zulk een tussenpersoon hebben, dan behoeven we niets te vrezen, noch van de macht, noch van de verleiding der wereld. Jakob zegent Fara÷ als hij binnentreedt, en hij zegent hem ten tweede male, als hij van Fara÷'s aangezicht uitgaat (vs 7 en 10), nadat hij gelegenheid heeft gehad de grootheid zijner macht met zijn ogen te meten. Dat wil eigenlijk zeggen, dat de arme aartsvader in waardigheid boven de heerlijkste koning der wereld staat.

Lezen we niet in Hebr. 7 : 7: "Buiten alle tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere." Deze vreemdeling, door lijden overstelpt, evenals later de apostel Paulus in zijn banden staande voor de machtigen der aarde, is in werkelijkheid groter dan zij.

 

"Jakob zegende Fara÷."

Ook nu treedt de Christen de wereld tegemoet in het bewustzijn zijner waardigheid als kind van God om haar de genade en de zegen van God te brengen. Door Jozef heeft Jakob een geopende deur gekregen, waarvan de aartsvader gebruik maakt, om Fara÷ te zegenen. Laat ons, krachtens deze belofte: "Ik heb u een geopende deur gegeven", in deze tijd der genade en des heils tot de wereld gaan om haar de weldaden van God aan te bieden. Een ander getuige van God, Mozes, zal lange tijd na Jakob een andere Fara÷ tegemoet treden, maar dan om hem de oordelen Gods aan te kondigen. Ook dit deel is voor ons weggelegd: "Weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?" (1 Kor. 6 : 2.)

 

Voor de koning staande, heeft Jakob nog een ander karakter. Door Fara÷ ondervraagd, bevestigt Jakob zijn titel van vreemdeling. "De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren." Evenals zijn vaderen leeft hij als een vreemdeling. Maar van dit gezichtspunt uit zijn leven overziende, veroordeelt hij het. Hij behoeft natuurlijk zijn ervaringen niet aan de wereld mee te delen, maar het is toch van gewicht, dat Fara÷ niet denkt, dat de man, die hem zegent, dat voorrecht zou te danken hebben aan zijn natuurlijke overwicht of aan zijn aangeboren goedheid. "Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest." (vers 9) Jakob. de man, die honderd en dertig jaar oud is, zegt tot Fara÷, dat zijn dagen "weinig" zijn geweest! Ach, dat komt daar vandaan, dat hij op die jaren, die voor de mensen zo talrijk waren, terugziet en er maar een klein getal onder vindt, die naar het hart van God waren geweest. De tijd die wij leven (en dit is een waarheid, die er zich wel toe leent, ons geweten te treffen) heeft slechts waarde, voor zover het getal onzer jaren voor God en het getuigenis van Christus van betekenis is geweest. Al het overige telt niet mede.

Eens zei een gelovige. die ernstig door de Heer getuchtigd was, op zijn sterfbed: "Mijn hele leven is voor Christus verloren." Dat is dus met andere woorden: "De dagen der jaren mijns levens zijn weinig geweest."

Jakob heeft er nog een enkel woord aan toegevoegd: "en kwaad," zegt hij. De nasmaak was bitter, en zij hadden niet de waarde der dagen zijner vaderen gehad.

 

Wie onzer zal niet evenals Jakob hetzelfde moeten zeggen, of met de woorden van David moeten instemmen, als hij zijn laatste woorden uitspreekt en dan zegt: "Hoewel mijn huis alzo niet is bij God?" (2 Sam. 23 : 5.)

De twee woorden "weinig en kwaad" tonen ons, hoe de aartsvader het oordeel over zichzelf uitspreekt, als hij zich vergelijkt met zijn vaderen. Mochten ook wij, gelijk hij, ons leven veroordelen!

Intussen moeten wij ook het bewustzijn hebben van onze waardigheid. Zij, die tot David kwamen in de spelonk van Adullam, de man, die een schuldeiser had, de man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was en de man. die benauwd was, waren niettemin de dragers van de heerlijkheid van hun koning; zij worden "de helden van David" genoemd.

Ondanks onze onwaardigheid, of eigenlijk veelmeer daardoor, zijn wij bekleed met de waardigheid van Christus. We zijn bekleed met Christus, met "het beste kleed", de gave des Vaders, waarover de gelijkenis spreekt. Dat beste kleed is het teken van het zoonschap.

We hebben de voetzolen aan onze voeten, de ring aan de hand, en zˇ gezegend door God, zegenen wij de wereld, evenals de arme Jakob het de doorluchtige Fara÷ gedaan heeft.