Het oude en het nieuwe verbond

 

(Hebr. 8 : 8-13)

 

In de Bijbel wordt over verschillende verbonden gesproken, die God aangegaan is met personen en met Zijn aardse volk IsraŽl. Er wordt wel eens gedacht aan een verbond, dat God met Adam zou hebben gesloten, hetwelk dan als "werkverbond" wordt betiteld.

Waarschijnlijk is men tot deze gedachte gekomen naar aanleiding van Hosea 6 : 7. Hier wordt echter alleen gezegd, dat IsraŽl het verbond overtreden heeft, zoals Adam (het gebod) heeft overtreden.

 

Wel lezen we over een verbond, door God met Noach aangegaan, nadat Noach op de vernieuwde aarde een altaar had gebouwd en Gode hierop brandoffers had gebracht. De aarde zou niet voor de tweede maal door een zondvloed worden overdekt.

De regenboog werd door Hem als verbondsteken gegeven. (Gen. 9 : 8-17; zie ook Gen. 6 : 18.) Telkens als wij de schone, zevenkleurige regenboog in donkere dagen aan de hemel mogen zien, worden we herinnerd aan Gods verbond, zo vele eeuwen geleden met Noach opgericht.

Van Genesis 17 af is echter telkens sprake over het verbond met Abraham gesloten. Dit verbond werd later aan Izašk en Jakob bevestigd. (Genesis 17 : 19 en Exodus 2 : 24.)

Abrams naam zou voortaan Abraham wezen: een vader van een menigte van volken zou hij worden (Gen. 17 : 4.) Het land Kanašn zou het gebied zijn, waar zijn nakomelingen de rijke zegeningen van God zouden genieten. Zo heeft dit verbond betrekking op het ganse volk van IsraŽl. (Gen. 17 : 7 en 8.)

Dat dit verbond door de Heer in Zijn ondoorgrondelijke genade met het gehele volk is aangegaan, blijkt uit de instelling van de besnijdenis als verbondsteken. (Gen. 17 : 11.) Iedere zoon moest, acht dagen oud zijnde, worden besneden. Dit verbond wordt door God een eeuwig verbond genoemd. (Gen. 17 : 7.)

 

Dat God Zijn belofte trouw bleef, ook als de omstandigheden schijnbaar het tegenovergestelde bewezen, zien we in Exodus 2 : 24. De nakomelingen van Abraham, Izašk en Jakob zijn daar in zeer moeilijke omstandigheden. Als slavenvolk wordt van hen in Egypte het onmogelijke geŽist. Maar God hoorde hun gekerm en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izašk en met Jakob, en God zag de kinderen IsraŽls aan en God kende hen. Met een uitgestrekte arm heeft Hij dit volk uit deze macht verlost. (Exodus 6 : 1-7.)

In Hebr. 8 wordt echter gedacht aan het verbond, dat God maakte met Zijn volk IsraŽl in de woestijn, op de berg SinaÔ. Dit verbond wordt op grond van Hebr. 8 : 13 het Oude Verbond genoemd.

 

Het volk IsraŽl, dat daar op de berg SinaÔ de "woorden des verbonds" heeft ontvangen (Exodus 19), bleek al heel spoedig in overtreding te zijn. Men danste om het gouden kalf, een eigen-gemaakte God. (Exodus 32.)

Hiermede werd het eerste gebod reeds overtreden, alvorens de Wet des Heren in hun midden was. Als Mozes, de middelaar, komende van de berg, met de door God beschreven tafelen in zijn handen, dit hoort en ziet, werpt hij deze tafelen in stukken. Maar God in Zijn oneindige genade geeft bevel, twee nieuwe tafelen te houwen, gelijk de eerste waren, en hierop schreef Hij opnieuw dezelfde woorden des verbonds. (Exodus 34 : 28.)

Hoe deze woorden, deze geboden, luiden, is iedere lezer bekend. Ook weten wij, welke gevolgen het niet nakomen van Gods eis had. In plaats van zegeningen had de overtreder van Gods Wetten de rechtvaardige oordelen Gods te verwachten, terwijl de dood het einde zou zijn van iedere overtreder. In Levitikus 26 : 25 is zelfs sprake van de wraak des verbonds.

Tot Mozes spreekt de Heer ten opzichte van Pinehas over het verbond des vredes en over het verbond des eeuwigen Priesterdoms.

 

Het is overbodig, de vele Schriftplaatsen uit het Oude en Nieuw Testament aan te halen om duidelijk naar voren te laten komen, welk een belangrijke plaats de verbonden van God met Zijn volk IsraŽl innemen. Dit uitverkoren volk had een bijzondere plaats in het hart van God. Grote voorrechten waren hun deel, grote verantwoordelijkheid rustte op hun schouders.

 

God zag van de hemel uit op dit volk neer. Met droefheid moest Hij de vele tekortkomingen en overtredingen vaststellen.

Telkens weer zond Hij Zijn profeten om hen te waarschuwen en op te roepen tot bekering.

En, o goedheid Gods!, in plaats van dit onboetvaardige volk voor eeuwig te verstoten (iets, wat het zeker had verdiend), belooft Hij in de toekomst een nieuw verbond met hen te zullen oprichten. (Jeremia 31 : 31-34.)

Als laatste middel zendt God tenslotte Zijn Zoon temidden van dit afgeweken volk. In de EvangeliŽn zien we, hoe dit wonder zich voltrekt. De Heiland wordt geboren uit een vrouw, geworden onder de Wet. (Galaten 4 : 4.) Hij kwam om dit volk te verlossen van de zonden. (MattheŁs 1 : 21.)

Terwijl het gehele volk in gebreke was gebleven, aan Gods eis te voldoen, kwam Hij en vervulde de ganse Wet Gods. Hij kwam om hen, die zuchtten onder de vloek der Wet, van deze vloek te verlossen. (Galaten 3 : 12-14.)

Helaas, slechts weinigen van dit volk hebben de toegestoken, reddende handen aangegrepen. Slechts enkelen waren er, die gedurende de omwandeling des Heren op aarde, zich bewust werden van zonde en schuld en zich in hun onmacht wierpen op de reddende genade van God.

Bij de instelling van het Avondmaal spreekt de Heiland over het nieuwe verbond.

Het oude was verouderd en de verdwijning nabij. (Hebr. 8 : 13.) De zegeningen van het oude verbond waren afhankelijk van de gehoorzaamheid van de mens. Zijn grondslag was het bloed van stieren en bokken, die door een levende middelaar gebracht werden.

 

Het nieuwe verbond daarentegen is gegrond op de dood van de Middelaar Zelf, en op Zijn gehoorzaamheid tot in de dood, ja tot in de dood des Kruises. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, is de onwankelbare, eeuwige en zekere grondslag van dit genadeverbond.

 

Uit HebreeŽn 8 blijkt duidelijk, dat dit nieuwe verbond, hoewel de grondslag er van reeds is gelegd, nog opgericht, moet worden. Paulus haalt Jer. 31 aan, waar de Heer belooft, dat Hij met het huis IsraŽls en met het huis van Juda een nieuw verbond zal oprichten. Het heeft dus uitsluitend betrekking op IsraŽl, het aardse volk des Heren, en niet op de Gemeente.

Het zal een heerlijke tijd zijn, als eenmaal het ogenblik is aangebroken, waarop alle twaalf stammen van IsraŽl, nadat zij hun zonden hebben leren zien en voor God hebben beleden, hun ogen zullen richten op Hem, Die zij doorstoken hebben (Zacharia 12 : 10-14,) en op grond van het Werk des Heren de zegeningen van dit nieuwe verbond zullen genieten. Zij allen zullen Hem kennen, Gods Wetten zullen in hun harten zijn geschreven. Het doen van de Wil des Heren zal hun een vreugde zijn.

 

Dit nieuwe verbond is een zeer bijzonder genadeverbond. Het volk zal niet vernietigd worden onder het rechtvaardig oordeel van God, maar leven in het gevoel van genade. Genade op grond van gerechtigheid, door de Heer Jezus aan het Kruis verworven. Alle zegeningen, in het Oude en Nieuwe Testament aan dit volk beloofd, zullen zijn deel zijn, en de Heer, Die tijdens het Oude verbond slechts temidden van dit volk kon wonen in afzondering, in het Heilige der heiligen van tabernakel en tempel, zal dan in al Zijn Heerlijkheid in het midden van dit ontzondigde volk kunnen zijn en hun ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid. (Jesaja 33 : 17.)

 

Boven hebben we reeds aangestipt, dat het Oude, zowel als het Nieuwe verbond, betrekking heeft op het ganse volk van IsraŽl, dus op het twaalfstammen-rijk.

Deze twaalf stammen moeten dus weer verenigd worden.

Zij, die niet behoren tot het nageslacht van Abraham, Izašk en Jakob (dat zijn dus alle niet-Joden), vallen niet onder deze verbonden.

 

De Apostel Paulus schrijft in betrekking tot zijn volk:

"die IsraŽlieten zijn, van wie het zoonschap is, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgevingÖ" (Romeinen 9 : 4.)

 

Ook van ons moet getuigd worden, dat we "vervreemd waren van het burgerschap IsraŽls en vreemdelingen van de verbonden der belofte." (Efeze 2 : 12.)

Als in Galaten 4 : 24 over twee verbonden gesproken wordt, is de bedoeling blijkbaar, hierdoor de twee stelsels: "gebondenheid" en "Vrijheid", of "wet" en "genade", duidelijk voor de ogen der joods-gezinde Galaten te stellen, daarbij uitgaande van het Oude Testament.

 

Nu wij door het geloof in Christus mogen behoren tot Gods hemels volk, zijn we zo innig met Hem verbonden, dat we kinderen Gods genaamd worden. (Johannes 1 : 12.) Deze innige verhouding van het kindschap Gods sluit de verbondsgedachte geheel uit. Een vader -aat met zijn kinderen gťťn verbond aan.

De kinderen der gelovigen uit onze bedeling nemen in Gods oog wel een bijzondere, een afgezonderde plaats in (zie 1 Korinthe 7 : 14), maar van "verbondskinderen" kan men in betrekking tot hen niet spreken. WŤl wil de Heer de opvoeding der kinderen onder de tucht en vermaning des Heren gebruiken tot hun bekering en de gebeden der ouders in dit opzicht ook horen en verhoren. Daarop mogen we naar Gods Woord rekenen. (Efeze 6 : 4.)

 

Als straks het nieuwe verbond met IsraŽl in vervulling treedt, zullen wij, als leden van de Gemeente Gods, van de hemel uit ooggetuige zijn van de wonderschone harmonie, die dan onder dit volk zal wezen. We zullen met de Heer genieten van de zichtbare gevolgen van Zijn Werk, verricht op het Kruis, onder dit vroeger zo halsstarrige volk.

Hij zal verzadiging van vreugde vinden, als in de hemel en op aarde allen Hem zullen eren en dienen.