Jerusalem

Jerusalem - wat smaad, wat eer uw naam bevat!
Gij - door de mens vertreên, door God geliefde Stad!

Niet aan een brede stroom, als Babel, zijt g' ontstaan;
geen stad-aan-zee, door schepen druk belopen -
HOOG op de BERGEN doet g' uw schoonheid open,
en biedt g' als Godsgeschenk u weer ten hemel aan!

Hoe schitterde uw roem, toen uit het verre land
de Koningin van 't Zuiden kwam getogen!
Zij zag uw macht, uw praal; werd in haar ziel bewogen;
en roemd' uw Koning, groot in rijkdom én verstand!

Maar - ach, wat diepe val! - Gij Stad, zo hoog verheven,
waar Isrels God Zijn woning had gesteld -
uw zonde, uw ontrouw heeft u neergeveld!
Wat is er van uw luisterglans gebleven?

Reeds twee-en-dertig maal zaagt gij uw erf omsloten
door 's vijands macht! En acht-en-twintig keer
moest gij u bukken voor een andre heer…
Ja, hoeveel BLOED is bij de VREDE-STAD vergoten!

Zelf riept ge 't oordeel in, dat u zo fel zou treffen;
verweest naar 't kruis de ware DAVIDS-ZOON.
't Versmade heil werd nu de volken aangeboón.
Wie 't was, Die gij verwierpt - dat kondt ge niet beseffen!

Nóg leeft g' in slavernij! Maar stemmen der profeten,
zij fluisteren uit uw stof: 't BEVRIJDINGS-UUR genaakt!
Uw KONING: CHRISTUS, KOMT! die uwe boeien slaakt!
Dán is UW smaad én die van 't LAND vergeten!

Hij, die na 't kruis reeds lang de erekroon verwon,
zal in triomf uw poorten binnenrijden!
Dán zal het oude volk zich in zijn HEER verblijden,
dan straalt van SIONS trans de Messiaanse Zon!

Luid spreken thans de tekenen der tijden:
wat GOD voorzegd heeft ZAL - en spoedig reeds! - geschiên.
De Stad-der-eeuwen zal haar heil-tijd zien,
en Christus' Bruid zal zich mét 't aardse Volk verblijden!

Zie - in uw val én uw verheffing, BEIDE,
waart gij, én zult ge zijn: een WONDERTEKEN Gods,
bevestigend Zijn Woord, dat vast staat als de rots,
en trots des satans macht, vervuld wordt t' allen tijde!

Jerusalem - wat smart, wat roem uw naam bevat!
Gij - nu vernederde, maar straks verhoogde Stad!

H. la R.

Vorig gedicht

Volgend gedicht