Jakob of de tucht

 

Gods hand in alle beproevingen
Het verlies van Jozef en Benjamin
Genesis 37-45

 

Genesis 37 stelt ons in de verzen 1 tot 15 voor, hoe Jakob als vreemdeling leeft in het land Kanašn, gelijk Isašk en Abraham dat vůůr hem hadden gedaan.

De les van Sichem had vrucht voortgebracht.

Esau bootst hem hierin niet na; het vlees kan geen bevrediging vinden in een positie, die van de wereld afzondert. Het Woord zegt ons - Genesis 36 : 6 - dat hij "was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broeder Jakob."

Alle eigenwillige werkzaamheid van de vroegere Jakob met zijn plannen en zijn listen had opgehouden en had plaats gemaakt voor de werkzaamheid van het geloof en de gevoelens, die in overeenstemming waren met God.

De aartsvader vindt in de persoon van Jozef een voorwerp Šl zijn liefde waardig.

De jongste zoon Benjamin was nog niet geopenbaard als de zoon zijner rechterhand. De toekomstige macht, die door hem zou worden uitgeoefend werd door de vader alleen maar gekend in hoop. Ongetwijfeld stond hij voor Jakobs oog en hart, maar Benjamin was bestemd voor toekomstige gebeurtenissen. Zo is het ook met de Heer, van Wie Benjamin een voorbeeld is: Zijn heerlijkheid in IsraŽl wordt voor hem bewaard voor een toekomstige tijd. Deuteronomium 33 : 12.

Jozef, het bewonderenswaardig beeld van Christus, heeft een geheel ander karakter, dat het hart van zijn vader machtig aantrekt. Hij is de rechtvaardige en heilige mens, die het geheim van Gods gedachten bezit, waarom zijn broeders hem hebben gehaat. Voor enkele zilverlingen hebben zij hem verkocht en deden hŤm lijden, die later het licht en de heerser der volken worden zou.

IsraŽl had Jozef lief.

Maar niet met de egoÔstische liefde van Isašk voor Esau. Jakob waardeerde de schoonheid in het karakter van Jozef en gaf hem een bijzondere plaats onder zijn broeders door de veelvervige rok, een kleed, zoals de dochteren des Konings, die maagden waren, droegen. (zie 2 SamuŽl 13 : 18.)

Sedert Bethel is het geloof van de patriarch ten volle werkzaam. Het stelt hem in staat, dingen te onderscheiden, die nog niet te zien waren; hij snelt zijn tijd vooruit.

Eer Benjamin is, wat hij later worden zou., noemt zijn vader hem de zoon zijner rechterhand.

Eer Jozef geopenbaard wordt in zijn macht, bekleedt hij hem met een koninklijke onderscheiding.

Voorts, hoe verbazingwekkend en weinig begrijpelijk de droom van Jozef hem ook moge voorkomen - vers 5-11 - omdat door deze droom de autoriteit van IsraŽl ter zijde gesteld werd en aan zijn zoon kwam - zie hoofdstuk 27 : 29 - toch bewaarde de patriarch dit profetisch woord met betrekking tot de toekomstige heerlijkheid van hem, die hij liefhad. Hij deed, wat Maria ten opzichte van Jezus gedaan heeft: "Maria bewaarde al deze dingen, ze overwegende in haar hart." (Lukas 2 : 19-51.) Intussen vervullen liefde en geloof niet alleen het hart van Jakob. Er bestond tussen hem en zijn zoon tevens een volkomen gemeenschap (verzen 12-15.) Beiden hebben hetzelfde doel voor ogen.

Jakob zendt Jozef uit het dal van Hebron, de plaats van de dood, naar Sichem, het oord van het verderf en het geweld der mensen, om dŠŠr zijn broeders te zoeken. Het antwoord van Jozef luidt: "Zie, hier ben ik." (Genesis 37 : 13.)

We hebben hier een pendant voor ons van de geschiedenis van Abraham en Isašk, toen die beiden samengingen op de weg naar de berg der offering, Moria. Maar ook van de geschiedenis van de Veelgeliefde, toen Hij zeide: "Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God."

We weten, wat er op de gehoorzaamheid van Jozef gevolgd is.

Hij werd door zijn broeders overgegeven in de handen der vreemden. Van toen af was hij verloren voor het land, waar zijn familie woonde. Jakob was onbekend met de omstandigheden van dit verlies; maar zonder Jozef was hij slechts omgeven van rouw en tranen, tot zijn dood toe. We horen hem klagen: "Ik zal rouw bedrijvende tot mijn zoon in het graf nederdalen." "Alzo beweende hem zijn vader." (37 : 35.)

En wij, die weten hoe Jezus, onze Heer, behandeld is geworden door mensen, voor wie Hij nederkwam om ze te redden, hoe openbaren wij ons tegenover zulk een wereld? Is onze houding ten opzichte van de wereld dezelfde als die van Jakob, n.l. van droefheid en rouw?

 

Intussen is deze wereld voor Jakob nog iets anders ook: ze is de plaats van de hongersnood. Sedert de misdaad der broeders is Jozef afwezig en heerst er in Kanašn honger, terwijl er in Egypte, onder de regering van de verworpen zoon overvloed is. In deze tijd hecht zich Jakob, nu hij Jozef niet meer voor zich heeft, aan Benjamin, de zoon zijner rechterhand, de drager van een nog toekomstige gunst en macht (Deuteronomium 33 : 12; Psalm 80 : 3.) Maar zie, ook van hem zal hij moeten scheiden. Zoals Abraham eens Isašk moest afstaan, zo ziet Jakob zich van zijn beide zoons beroofd, waarmede zijn verwachtingen voor de aarde verbonden waren; van hem, die hij in zijn bewonderenswaardige wandel temidden van de broeders had gadegeslagen, Ťn van hem, op wie hij de hoop der zegening van IsraŽl grondde. Alles, waarin hij zijn vreugde vond, en waarop hij met recht zijn hoop kon vestigen, wordt hem ontnomen .... en zo werd hij er toe gebracht te zeggen, wat David later in de 30ste Psalm vers 8 gezegd heeft: "Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet, maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt." Een vreselijke strijd ontstaat in de ziel van de patriarch om ertoe te komen, de wil van God onvoorwaardelijk aan te nemen. Hij begint met tegen zijn zonen te zeggen: "Gij berooft mij van kinderen: Jozef die is er niet, en Simon die is er niet, nu zult gij Benjamin wegnemen: alle deze dingen zijn tegen mij. Waarom hebt gij zo kwalijk aan mij gedaan. dat gij deze man te kennen gaaft, of gij nog een broeder hadt?" (Genesis 42 : 36 en 43 : 6.) In de angst van zijn hart vestigt hij zijn oog op de menselijke werktuigen der beproeving, die over hem gekomen is, en roept uit: "Waarom?"

Dat is zeker niet de volkomen onderwerping van Christus. Hij had de tucht niet nodig, om daartoe gebracht te worden.

Hoe schoon is het te zien, dat Jakob tenslotte in de beproeving zich buigt onder de tucht van de Almachtige, die aan hem te Bethel verschenen was.

Terwijl hij alle eigen wil opgeeft, komt hij er toe om gebroken, maar toch vertrouwend, tot zijn zonen te zeggen: "Neemt ook uw broeder mede, en maakt u op, keert wederom tot die man, en God de Almachtige geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw andere broeder en Benjamin met u late gaan." (43 : 13, 14.) Hij rekent alleen nog op de genade van God. Het offer is verteerd; het geloof van IsraŽl draagt de overwinning weg over alle angsten van Jakob. Met het oog op zichzelf voegt hij er nog aan toe: "En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd." De heilzame verzoeking brengt hem er toe God voor alles en zichzelf voor niets aan te zien.

Deze nieuwe zegen, die Jakob eindelijk door de tucht in Kanašn vindt, is een onderworpen wil, die de wil van God aanvaardt, omdat hij alleen maar Zijn hand in alle beproevingen ziet. Voor deze aarde schijnt alles hem ontnomen te zijn, maar de Almachtige blijft de verzekerde toevlucht voor zijn ziel en dat is hem voldoende. De laatste sporen van de oude Jakob zijn door de tucht vernietigd om Gode alleen de volle plaats te geven.