"Ik, de Here, word niet veranderd"

(Maleachi 3 : 6)

Als we dit woord in het verband lezen en bijzonder op vers 5 letten, dan komen we onder de indruk van de gerechtigheid Gods, die opkomen moet tegen velerlei misstanden., die bij het volk Zijner verkiezing werden gevonden. Het volk was verkoren om een volk des eigendoms te zijn temidden van alle volken, die op de aardbodem zijn. Zij waren geenszins verkoren om de veelheid boven alle andere volken, de Here had aan hen geen lust gehad, omdat zij meerder waren dan de omwonende volkeren. Integendeel! Zij waren het minste van allen. Maar Hij had hen lief en wilde de eed houden, die Hij hun vaderen gezworen had. En het was dŠŠrom, dat Hij ze verlost had uit het diensthuis van Egypte. Zo zegt Deuteronomium 7 het ons. En merkwaardig is, wat dan in het tiende vers van dat hoofdstuk volgt, t.w.: "Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, om hen te verderven."

De historie van dit zo gezegende volk levert het bewijs, hoe de God IsraŽls door Zijn volk is onteerd! De getuigenissen van Mozes, van SamuŽl, ja van vele profeten liggen voor ons en houden een zware beschuldiging in tegen de kinderen der belofte, nakomelingen van Abraham, Isašk en Jakob.

Vers vijf van Maleachi 3 zegt het zo verbijsterend: "Ik zal ulieden ten oordeel naderen, en Ik zal een snel getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe en de wees en de vreemdeling het recht verkeren, en Mij niet vrezen, zegt de Here, der heirscharen."

En dan vervolgt vers zes: "Want Ik, de Here, word niet veranderd!"

Nu zouden we de gevolgtrekking kunnen maken: - Omdat de Here niet veranderd wordt, daarom zal Hij ook aan Zijn gerechtigheid haar vrije loop laten, en degenen, die tegen Hem zo zwaar zondigen, moeten wel verteerd worden, maar zie, het omgekeerde is het geval: "Daarom zijt gij, o kinderen Jakobs niet verteerd."

Kinderen van Jakob, dat is van hem, die in zijn leven, hoewel zijnerzijds aan de belofte vasthoudende, zijn God zo menigmaal heeft bedroefd, totdat er een tijdpunt aanbrak, dat zijn heup verwrongen werd, en hij hinkende zijn weg moest gaan, maar als een IsraŽl uitriep: "Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest." (Gen. 32 : 25, 31, 30.)

De kinderen van Jakob waren kinderen der belofte.

En zou de onveranderlijke God ontrouw worden aan Zijn eigen beloften? Al waren dan ook de tijdgenoten van Maleachi "van de dagen hunner vaderen af" afgeweken van Gods inzettingen, die niet bewarende, God, de Onveranderlijke, had geduld!

De eeuwen door was Zijn Woord tot hen gericht. Niet alleen Zacharia had geroepen: "Alzo zegt de Here der heirscharen keert weder tot Mij, zo zal Ik weder tot ulieden keren." (Zach. 1 : 3), niet alleen Jeremia had gesproken: "Keert weder, gij afkerige kinderen, Ik zal uw afkeringen genezen," (Jer. 3 : 22) ook Maleachi zal dezelfde woorden tot de afkerigen richten: "Keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren."

Welk een geduld!

De vaderen hadden niet geluisterd!

"Zij hoorden niet naar Mij, spreekt de Here!" (Zach. 1 : 4.)

Maleachi maakte een niet minder droeve ervaring. Hij moest de spottende woorden vernemen: "Waarom zullen wij wederkeren?" In Jeremia's tijd - zij het ook profetisch - was het antwoord: "Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Here, onze God."

Dit was een antwoord uit een verbroken hart. Tevergeefs had IsraŽl het van iets anders verwacht. Het was op allerlei wijze beschaamd geworden, maar nu belijdt het: "In de Here, onze God is IsraŽls heil."

Eenmaal zal het volk daar komen, en dan zal het een zegen zijn voor de volken; de heidenen zullen zich zegenen in Hem, en in Hem zich beroemen. Het is een wondere afwisseling van twee stemmen: de eerste van God, die noodt, de andere van het volk, dat zich bekeert en zijn zonde belijdt. Zo zal het in de toekomst zijn.

De Here wordt niet veranderd!

Hij komt in de volheid Zijner genade tot Zijn volk met de woorden, waarmede de profetie van Maleachi opent: "Ik heb u liefgehad, maar gij zegt: Waarin heb Gij ons liefgehad?" En opnieuw klinkt het: "Was niet Esau Jakobs broeder? spreekt de Here: nochtans heb ik Jakob liefgehad."

Zo arbeidt God in Zijn volmaakt geduld, om het hart van het volk maar op enigerlei wijze te treffen.

Is het alles vruchteloos?

Dezelfde Profetie geeft ons het antwoord op deze vraag.

In Maleachi 3 : 16 en 17 worden we geplaatst tegenover het overblijfsel, dat de Here vreest en Hij kent het. Zij spreken over hun getrouwe, liefdevolle God, hoe Hij degenen, die Hem vrezen en aan Zijn naam gedenken, in een gedenkboek voor Zijn aangezicht heeft! In de dag, die Hij maken zal, zullen zij Zijn eigendom zijn, de schat van Zijn hart, en Hij zal ze niet doen omkomen, als Hij de goddelozen, die ondanks alles toch in hun afkerigheid hebben volhard, zal oordelen!

God is de heilige God!

Zijn heilige eisen laat Hij niet varen!

Bij Hem is geen aanneming des persoons!

Maar God is ook de genadevolle God, die alles doet, om de afkerigen in Zijn wegen terug te leiden, en met volmaakt geduld wacht op hen, die eigen wegen verkiezen, en God verlaten!

 

J.T.