Jakob of de tucht

 

Jakob als vluchteling [1]
De droom te Bethel
Genesis 28

 

Het eerste gedeelte van Jakobs geschiedenis heeft een einde genomen. Wij zagen hem, zoals hij in het ouderlijk huis was, hem, die van vůůr de geboorte het voorwerp was van Gods raadsbesluiten. en later geroepen werd om door het geloof op de vervulling ervan te rekenen. Maar het geloof, of liever God, het voorwerp van dat geloof, was niet voldoende voor Jakob. Handig, als hij was, om van de gelegenheid gebruik te maken, wist hij zich meester te maken van het eerstgeboorterecht, dat God hem verleend had. Vervolgens door list en bedrog van de vaderlijke zegen, het voorrecht van wie dat eerstgeboorterecht bezat. Zijn vader zegende hem, menende, dat hij Esau voorhad. Tot Jakob zeide Isašk: "Wees heer over uw broederen en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen." Genesis 27 : 27, 29. Schijnbaar was Jakob tot zijn doel gekomen.

Op dit ogenblik kwam God tussenbeide.

Hoe zou Hij Zijn trouw tegenover Zijn beloften in overeenstemming brengen met Zijn misnoegen over de gezindheid en de wegen van Zijn knecht? Zijn beloften en zegeningen kon Hij in geen geval herroepen, want "de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk."

Hij kon ook het kwaad niet voorbij laten gaan. Zijn tucht beantwoordt enerzijds aan de eisen Zijner trouw, anderzijds aan die van Zijn heiligheid en Hij verenigt beide. Onder de tucht Gods wordt Jakob er toe gebracht, zijn wegen te veroordelen en te verafschuwen, en dan, als dit doel bereikt is, in te gaan in het genot van de hem geschonken heerlijke beloften.

We zullen dus in het tweede deel van Jakobs geschiedenis, dat Bethel tot uitgangspunt en eindpunt heeft, de tucht Gods over hem zien, hetzij om hem te tuchtigen, hetzij om hem te reinigen. Het derde deel zal ons dan voorhouden, dat de tucht nog andere doeleinden op het oog heeft.

Isašk roept Jakob en zegent hem zonder een woord van verwijt uit te spreken over hetgeen is voorgevallen. Is het niet daarom, omdat hij zichzelf moet aanklagen sedert die dag, dat hij "met een zeer grote verschrikking, gans zeer" verschrikte? Het bedrog van Rebekka en Jakob is voor hem het begin zijner tucht geweest en heeft hem de ogen geopend. Maar hij vindt de gemeenschap met God terug, waardoor hij zijn zoon zonder enige reserve kan zegenen. (Genesis 28 : 1.)

Rebekka beproeft de gevolgen van haar fout te ontgaan door Jakob weg te zenden, om hem op die wijze aan Esau's toorn te onttrekken. (Genesis 27 : 43-45.)

Isašk aanvaardt in ootmoed de gevolgen van zijn kwaad. Hij spreekt, alsof er niets buitengewoons is gebeurd en hij zegent Jakob met de zegen van Abraham, alsof hij in hem steeds de erfgenaam der beloften had gezien, terwijl hij in betrekking tot hem naar de Goddelijke beginselen handelt, zoals zijn vader vroeger met hem had gedaan.

Hij staat hem niet toe, het voorbeeld van Esau te volgen, die een vrouw van de dochteren der Kanašnieten genomen had. Doch hij kon Jakob niet bij zich houden in het land der belofte. Hij moest hem zien wegtrekken naar den vreemde. Dit is het enige verschil tussen hem en zijn vader. (vers 5.) Isašk erkende aldus de tucht van God, maar hij was niet het werktuig ervan, en hij oefende haar niet uit, want, omdat hijzelf een voorwerp van de tucht was, kon hij zich slechts onderwerpen, terwijl hij zich "vernederde onder de machtige hand Gods."

Jakob verlaat Ber-Seba en gaat naar Haran als een bedroefde vluchteling, die, zoals hij later zelf gezegd heeft, niets had dan een staf. (Genesis 32 : 10.) Hij laat, gescheiden van die hij lief heeft, de toorn van Esau achter zich. Het onbekende ligt vůůr hem met zijn ontberingen, en boven hem is God, Die hij zo zwaar beledigd had, door zijn eigen kunstgrepen op de plaats te stellen van de voorziening van God, alsof die middelen van Jakob meer waarde zouden hebben dan de hulpmiddelen van God.

Hij begint zijn pelgrimstocht niet als eens Abraham, die door het geloof en in de gemeenschap met de Almachtige als een vreemdeling het land der belofte binnentrok, maar tegen zijn wil verbannen uit het goede land, als gevolg van zijn gebrek aan geloof en tevens van zijn bedrog. Hij was gedwongen in omgekeerde zin de weg te gaan, die zijn grootvader uit Haran in het land Kanašn had gevoerd. Alleen trok hij voort, zonder gemeenschap met God, onder de zware last van zijn schuld, en zo komt hij te Bethel. De nacht valt in en hij heeft niets dan een steen, die hem tot hoofdpeluw dient. Wat een bittere gedachten mogen zijn arme hart overvallen hebben! De nacht in Bethel was niet donkerder dan de gedachten, die zijn ziel vervulden!

Hij legt zich neder en slaapt in.

Een glorieus gezicht verschijnt hem: hij ziet een ladder, die de verbinding van hemel en aarde herstelt. Boven aan de ladder is God, onder aan de ladder een vluchteling zonder woonplaats, dragende de zware last zijner zonde. En tussen God en Jakob Engelen, die "ten dienste worden uitgezonden om den wille van hen, die het heil zullen beŽrven." (HebreŽn 1 : 14.) Zij klimmen op en dalen neder om hun dienst aan hem te vervullen.

Welk een roerend schouwspel! God Zelf opent Zijn hemel om Zijn legerscharen ter beschikking te stellen van een schuldige verloste. En dit wordt aan Jakob geopenbaard bij het begin van het eerste deel van de weg, die zijn tuchtiging ten doel heeft! Onzichtbaar, maar nochtans tegenwoordig, moesten deze hemelse dienaren Gods voor de behoeften gedurende zijn oponthoud in den vreemde zorgdragen. Hij zal ze later weer terugzien te MahanaÔm om hem welkom te heten, maar hier, op het meest sombere ogenblik van zijn geschiedenis, ontmoet hij ze allereerst omdat God daar is. [2]  Wonderlijke gelegenheid, nietwaar, om al de zegeningen van God aan Jakob te bevestigen! Maar tevoren had God niet aan hem kunnen verschijnen. Hoe zou God Zich kunnen openbaren aan hem bij het linzenkooksel, of bij het bed van Isašk, waar Jakobs hart vol van bedrog was? Maar nu, in dit eenzame, schrikaanjagende oord, waar hij door zijn zonde gekomen was, en waar de bestraffing op hem komt, ontmoet God hem. Want de tucht is het werk van God, en wŠŠr die ons treft, dŠŠr is het tegelijk de plaats, waar God Zich kan openbaren. Is het niet treffend hier te zien. dat geen enkel woord van berisping uit Zijn mond komt? God spreekt daar tot hem, om hem de verzekering te geven, dat Hij getrouw is aan Zijn beloften. "En zie, de Here stond op dezelve, en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God Isašks: dit land, waarop gij ligt te slapen. zal Ik u geven en uw zaad. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts, en in u en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden." (verzen 13 en 14.)

In zekere zin zijn deze beloften bijna even rijk als die van Abraham. Ik zeg "bijna," omdat God aan Jakob niet een zaad belooft als "de sterren des hemels," maar als het stof der aarde. [3] En ik zeg ook "in zekere zin," omdat in een ander opzicht deze veel rijkere zegeningen zelfs een Abraham onbekend zijn gebleven.

Het 15de vers geeft Jakob de verzekering van de belangstelling, die God niet ophouden zal hem te bewijzen gedurende de jaren van ballingschap, een genade, die Abraham ook niet gekend heeft, wijl die het gebied der belofte niet verliet.

Wat waren die woorden van God een balsem voor het neergebogen hart van Jakob.

"Ik ben met u."

Ik kastijd u, maar dat is een bewijs van Mijn liefde!

Ik zal u bewaren, u wederbrengen, u niet verlaten!

Arme Jakob.

Hij kan dus geheel rekenen op God alleen. Hij, wiens zonde juist daarin bestond, dat hij aan God had getwijfeld.

Ongetwijfeld hadden die woorden van zijn God hem moeten verblijden, maar nťťn! Hij schreeuwt, uit zijn slaap ontwakende: "Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de Here aan deze plaats, en ik heb 't niet geweten. En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels."

Wat is deze plaats vreselijk!

Vreselijk? als God hem verzekert van al Zijn gunst? Hoe komt dat?

Ach, ons vlees kan niet op zijn gemak zijn in de tegenwoordigheid van God. Neen, zelfs niet in de tegenwoordigheid van den God der genade, omdat ze ons oordeelt. Het is altijd zů, getuige de Apostel Petrus, toen de Heer Jezus zijn net met vissen had gevuld.

Maar zie, Jakob krijgt weer moed!

Waarom?

Omdat hij denkt met God een verbond te maken.

Het vlees tracht altijd weer rust te vinden in goede voornemens. Als God doet, wat Hij gezegd heeft, dan zal ik van mijn kant ook iets voor Hem doen. Jehovah zal zijn God zijn. "Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten en klederen om aan te trekken, en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn: zo zal de HERE mij tot een God zijn, en deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en alles wat Gij mij geven zult, daarvan zal ik U voorzeker de tienden geven." (verzen 20-22.)

De pas begonnen tucht had nog geen vrucht gedragen voor de schuldige vluchteling. Hij had nog niet geleerd, dat hij alleen afhankelijk was van de genade en dat zijn eigen wil alleen maar vijandschap tegen God wezen kon. Hij had de oude mens nog niet uitgedaan. Er waren nog meer dan twintig jaren van beproeving nodig, om hem de ogen voor zichzelf te openen en hem te doen verstaan, wat het doel van de tucht was.

Jakob wist nog niet, dat het enige middel om de zegeningen deelachtig te worden, het geloof is. En dat elk ander middel om te beproeven in het bezit te komen van de zegeningen een smaad voor de genade betekent. De neiging van de natuurlijke mens zal altijd weer die van Jakob zijn.

Niet, dat Jakob geen geloof zou hebben gehad. Maar hij meende door eigen doen, door zijn verstand, door zijn plannen en besluiten het geloof op een nuttige manier bij te kunnen staan om zich de beloften Gods te verzekeren. Dit verkeerde beginsel is de grondslag van ieder religieus stelsel. Ze gronden zich alle, zoals reeds gezegd, op kennis, inzicht, menselijke middelen en dergelijke, om zich de hemelse dingen toe te eigenen, zonder nu bepaald het geloof te loochenen.

Er was een langdurige arbeid van de Geest Gods toe nodig, om deze gedachte, die een belediging was voor de genade, en in zekere zin de werkzaamheid van de natuurlijke mens op de plaats ervan zet, uit het hart van de aartsvader uit te roeien.


[1] Met enige zekerheid kunnen we vaststellen, dat Jakob 75 jaar oud was, toen hij zijn ouders verliet. Hij nam Lea en Rachel tot vrouw, toen hij de leeftijd van 83 jaar had bereikt. Toen hij de dienst van Laban verliet en naar het land Kanašn terugkeerde, telde hij 96 jaar. Jozef, ongeveer 17 jaar oud. werd door zijn broeders verkocht, toen Jakob 107 jaar oud was. Op 120-jarige leeftijd begroef Jakob zijn vader Isašk toen deze zelf 180 jaar oud was. Daarna leefde Jakob nog 10 jaar in Kanašn, om naar Egypte te gaan op 130-jarige leeftijd. Daar is hij gestorven, 147 jaar oud. In het ouderlijk huis leefde hij dus 75 jaar; als vluchteling bij Laban 21 jaar, in het land Kanašn opnieuw 34 jaar en dan in Egypte 17 jaar.

[2] Laat ons in het voorbijgaan opmerken, dat Jakob hier een voorbeeld is van het om zijn ontrouw uit Kanašn verdreven IsraŽl, dat, als voorwerp van de zorg Gods gedurende zijn omzwerving, in zijn schoot een volk draagt, dat talrijker zijn zal dan het stof der aarde.
De droom is de aan Jakob gegeven openbaring van een toekomstige gemeenschap tussen de hemel en de aarde en tussen de aarde en de hemel door tussenkomst van de Engelen.
De betekenis van deze plaats betreft dus, nauwkeurig genomen, minder Jakob, die persoonlijk het voorwerp van de zorg Gods werd, dan wel IsraŽl, hetwelk, verdreven om zijn schuld, de zorg ervaart van God, en dat reeds tevoren de toekomst voor ons stelt, waarin God Zijn volk en IsraŽl zijn God ontmoeten zal door de dienst der Engelen. Wat de Heer in Johannes 1 : 51 zegt is nog heerlijker!
Daar staat de Zoon des mensen allťťn voor ons oog.

[3] Abraham ontvangt twee beloften (13 : 16; 15 : 5; 22 : 17). Isašk, de hemelse mens, ontvangt een zaad als de sterren des hemels (26 : 4).