DE VERVALLEN HUT VAN DAVID

Amos 9 : 11

Zou dan geen enkele straal van hoop de diepe duisternis verlichten? Zou God vergeten genadig te zijn?

Als we het slot van het achtste hoofdstuk lezen, zijn we geneigd deze vraag te stellen. Het klinkt zoo somber: "Zij zullen vallen en niet wederopstaan."

 

Gode zij dank, in het slothoofdstuk dezer Profetie gaat het licht op! Wel gaat het 9de hoofdstuk eerst nog voort in den toon van de oordeelen-aankondigingen, maar in het 11de vers gaan we over den wissel, en zien we de glorie der bedeelingen van Gods barmhartigheid. Reeds in het 8ste vers vangen we een eersten straal op, als daar staat: "behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganschelijk zal verdelgen."

De vervallen hut van David zal weder worden opgericht. In heerlijkheid zal de luister van het door God verkoren Koningshuis stralen. De Zoon Davids, Christus, de Gezalfde Gods, de Koning der koningen, zal dan tot Zich doen wederkeeren een Overblijfsel Zijns volks, dat met een waarlijk boetvaardig hart, in groote verslagenheid, de vraag zal stamelen: "Wat zijn deze wonden in Uw handen?" Hij zal die vraag beantwoorden met: "Dat zijn de wonden, waarmede Ik geslagen ben in het huis Mijner liefhebbers." En nedervallende, zullen zij aanbidden! (Zach. 13.)

Dan zal er voor het schepsel en de gansche schepping verademing zijn. "Ik zal ze in hun land planten, en zij zullen niet meer worden uitgerukt." (Vers 15.)

Jakobus haalt de woorden over het opgericht worden van de vervallen hut Davids aan in Handelingen 15, als hij bewijst, dat het heil niet alleen voor de Joden, maar ook voor de volken zijn zal.

Zoo eindigt dan de Profetie van Amos met de glorie van het Rijk van Christus op aarde en het heil Gods, dat ver buiten de grenzen van het volk IsraŽls zich uitstrekken zal tot aan de einden der aarde!

 

J. T.