KORT OVERZICHT VAN DE PROFETIE VAN JESAJA

 

Het tweede groote deel. (II.)

Nadat de Profeet in de verzen 42 tot 48 de verlossing uit Babel heeft beschreven, spreekt hij in het tweede groote deel over het lijden en de heerlijkheid van den Knecht des Heeren. (Hoofdstuk 49-57.)

Met dit kostelijk en heerlijk onderwerp houden we ons dan nu bezig.

 

49 In hfdst. 48 : 16 heeft de Messias gezegd: "De Heere en Zijn Geest heeft Mij gezonden." Hoofdstuk 49 is de verklaring van dit woord. Nu spreekt Jesaja niet meer over Kores, maar hij beschrijft Christus Zelf in Zijn vernedering en verhooging.
Het lijkt wel in vs 3. of het gaat over den knecht IsraŽl. Maar uit vs 5 is het duidelijk, dat er gesproken wordt over een anderen knecht, die Jakob tot God moest wederbrengen. Omdat de knecht IsraŽl - Jakob - gefaald heeft, heeft God Zijn eigen Knecht gezonden.
Dit hoofdstuk is eigenlijk een vraaggesprek. De Vader had tot doel, door Zijn knecht verheerlijkt te worden. Maar deze antwoordt, uit menschelijk oogpunt bezien, dat men Hem tevergeefs heeft laten zwoegen. Maar de Vader zegt, dat Zijn zending geen mislukking is.
Christus' arbeid was niet voor IsraŽl alleen: IsraŽl moge den Messias verwerpen als "een verachte ziel," aan wien het volk een gruwel heeft, - IsraŽl gruwt nÚg voor den Naam van Jezus! - maar het zŠl anders worden. Vorsten zullen voor Hem nederknielen. Christus zal IsraŽl herstellen, als het zich bekeeren zal, ondanks de ongeloovige klacht van Sion. (Vs 14-17.) IsraŽl wacht in de toekomst een groot geluk. In de verzen 4-26 wordt gezegd, dat de grootste verdrukker van IsraŽl, Satan, zal ondergaan door hun Heiland, hun Losser, GoŽl, den Machtige Jakobs.
De verzen 1-3 behooren nog tot dit hoofdstuk.

 

50 Nu spreekt de Knecht Zelf over Zijn gehoorzaamheid, lijden, geduld en rechtvaardiging door God. Dan volgt de vermaning, om 's Heeren Knecht niet ongehoorzaam te zijn. - De menschheid van den Heer Jezus wordt hier zoo duidelijk bewezen. Er wordt gesproken over Zijn rug, Zijn haar, Zijn aangezicht, Zijn wangen, Zijn oor.

 

51 Jehova spreekt nu Zijn geloovig volk toe. Hij herinnert aan Abraham en Zijn verbond. Hij verzekert hun, dat de woestijn van Sion zal worden als Eden, den hof des Heeren.
Het is schoon om te zien, hoe de geloovige, na deze toespraak, vol vertrouwen tot God bidt (9-11). en hoe dan de Heer vol vertroosting antwoordt.
Jeruzalem, dat gedronken heeft van den beker van Gods toorn, zal worden bevrijd, en die Jeruzalem bedroefd hebben, zullen dan den genoemden beker des toorns krijgen!

 

52 IsraŽl is hersteld, versierd en bevrijd. Zonder geld gelost. Uit het stof verrezen. En het wordt gezien als wonende in het Beloofde Land. De geloovige IsraŽlieten gaan van de bergen de goede boodschap brengen: "Uw God is Koning"!
Den achtergebleven Joden onder de volken wordt toegeroepen zich toch af te scheiden van de onreinen; een woord, dat Paulus toepast op ons, als hij zegt: "Gaat uit het midden van hen, scheidt u af, raakt niet aan, wat onrein is, enz."

 

53 Dit hoofdstuk begint met vers 13 van 52. Eerst wordt ons de verhooging van den Knecht des Heeren beschreven. Hij zal velen doen opspringen van vreugde. Dit is de juiste vertaling van 52 : 15. En dan wordt gezegd, dat Hij verhoogd is, omdat Hij Zich zoo vernederd heeft. Die vernedering vinden we in hoofdstuk 53, waar Hij ons geschilderd wordt als de Man van Smarten. Omdat Hij geen eer noch aanzien had, geloofde IsraŽl niet in Hem als zijn Messias. Diep was de versmaadheid van den Christus! Maar droeg Hij niet onze krankheden? Leed Hij niet ook plaatsvervangend? En hoe leed Christus?
Vrijwillig en gewillig! Ja, Hij daalde in dood en graf ter neer. Hij liet Zich verbrijzelen door God. En dit alles wordt toegerekend aan hen, die belijden: "Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg."
Thans worden de vruchten genoemd van het lijden en sterven van den Heiland, die ons geteekend wordt als de zegepralende Held, als de groote Overwinnaar.
Maar wŤlk een Held! Niet overwinnend door het zwaard, maar doordat Hij Zijn ziel uitstortte in den dood, met de overtreders werd geteld, veler zonden heeft gedragen, voor de overtreders heeft gebeden.
Dit is een van de schoonste hoofdstukken van het heele boek Jesaja, misschien wel van den heelen Bijbel.

 

54 IsraŽl kan nu gaan zingen. Na het kruis het gezang! Hij zal zaad zien. Dat is de groote juichtoon. Hersteld IsraŽl wordt uitgebreid. (Vs 2 en 3.) Alle vrees en schande en schaamte en smaad worden weggenomen. (Vs 4 en 5.) Er is een klein oogenblik van toorn, maar een eeuwige goedertierenheid. (Vs 7.)
God had deernis met Zijn volk. "Uw Maker is uw Man." God zag Zijn "verlatene vrouw." Deze verdrukte, door onweer voortgedrevene, ongetrooste, wordt nu hersteld.
Nooit zal Zijn goedertierenheid van Zijn volk wijken, Ďt verbond Zijns vredes zal niet wankelen! (Vs 10.) Alle instrument, dat zich tegen Zijn volk heeft gekeerd, zal worden uitgeroeid. (Vs. 17.)

 

55 Nu wordt het heil aan Šllen aangeboden. Dit hoofdstuk kent geen grenzen. Alle dorstigen worden uitgenoodigd om te drinken. Alle zondaars moeten den Heer zoeken. Neen, Ďs Heeren gedachten zijn niet onze gedachten en onze wegen zijn niet 's Heeren wegen. Er is leven uit de dooden. - De vader zegt: "Laat ons eten en vroolijk zijn!" De gansche Schepping bedrijft in letterlijken zin vreugde. (Vs 12 en 13.)

Dorstigen komt waar de waatren u wenken,
Gij, die geen geld hebt, komt! koopt nu en eet!
Ziet, zonder prijs moogt ge u laven en drenken;
God houdt voor de armsten Zijn tafel gereed.
Waarom gezwoegd voor een spijs, die niet voedde,
Voor wat geen brood is, uw schatten verkwist?
Doet aan Mijn trouw, dan geniet gij het goede,
Dan wordt uw hart uit Mijn volheid verfrischt!

 

56 Ook vreemden en "kamerlingen" (gesnedenen) worden vergaderd. Gods huis wordt een bedehuis genoemd voor alle volkeren. (Vs 3 tot 7.)
Dit alles geldt natuurlijk ook voor ons. Heel de hoofdstukken 55 en 56 bevatten het heerlijkste Evangelie.
Maar wat in vers 8 van dit hoofdstuk staat, dat de verdrevenen IsraŽls zullen vergaderd worden, ziet op de toekomst van IsraŽl.

 

57 Dit hoofdstuk heeft veel overeenkomst met het laatste (hfdst. 48) van het eerste onderdeel. Oůk hier een klacht van God over de Joden. Deze begint al met het slot van hoofdstuk 56. waar over de blinde wachters gesproken wordt, die als stomme honden zijn. IsraŽl is van Hem afgeweken. - Maar er zijn twee klassen. De goddeloozen zijn als een onrustige, voortgedrevene zee en zij hebben geen vrede. De rechtvaardigen worden vertroost door het woord: "Ik zie hun wegen, Ik zal ze genezen, Ik zal ze geleiden en hun treurigen vertroosting, geven." (Vs 18.) Vrede wordt verkondigd aan hen, die verre zijn (de heidenen) en aan hen, die nabij zijn. (IsraŽl.)

 

Nu zijn wij gekomen tot het derde en laatste onderdeel van het tweede groote deel.
Dit beschrijft de gebeurtenissen, die zullen plaats vinden na den genade-tijd in de zeven jaren, waarvan de Openbaring spreekt en vooral in de 3 1/2 jaar van de groote verdrukking.
Dan zullen geloovige en ongeloovige IsraŽlieten in hun land terug zijn, en de laatsten zullen verre de overhand hebben. Dezen zullen een eigen tempel bouwen, en den Anti-Christ aannemen. Vreeselijk zullen dan de verdrukkingen zijn voor de geloovigen. Hun vrees en hoop, hun lijden en gebed worden in dit deel beschreven. Maar ook de ondergang van de ongeloovigen en de heerlijke toekomst voor hen, die gelooven, wanneer de Heere Jezus Christus hun Koning zal zijn.

 

58 In dit hoofdstuk wordt de profeet opgeroepen om zijn stem te verheffen en de zonden van Jakob bekend te maken. Uiterlijk was het zůů, alsof zij God zochten: trouw vasten en sabbat vieren. Zij beschuldigden zelfs God, waarom Hij hen nu niet verloste!
Maar het was alles schijn.
Alleen als ze zouden veranderen, zou de Heer hen geduriglijk leiden; dan zouden zij zich ook in Hem verlustigen. (Vs 13 en 14.)

 

59 De zonde maakte scheiding tusschen God en IsraŽl. Maar als de zonde beleden wordt, dan treedt God tusschenbeide, al is er geen voorbidder, dan zal Hij de vijanden verdoen en Zelf heil brengen aan Zijn volk. Zijn hand is niet verkort. Groot zal de vrucht zijn van de wederkomst des Heeren in oordeel en heerlijkheid. (Vs 19.)

 

60 De morgen van een nieuwe eeuw breekt aan! Het licht zal opgaan over IsraŽl. Al de volken zullen optrekken naar Sion. Onuitsprekelijk heerlijk zal de luister zijn van het herboren Sion.
Dit hoofdstuk kunnen we, wel het glorie-hoofdstuk noemen van Jesaja's profetie. Er zou een heel boek over geschreven kunnen worden.

 

61 Koning Jezus is vol van goedheid. Hij verbindt en zalft. Hij doet het aangename jaar des Heeren aanbreken, het jubeljaar der jubeljaren.
Hier hield de Heiland op, toen Hij in de synagoge te Nazareth uit Jesaja voorlas. O, wondere genade-tijd, door den Heer Jezus op aarde gebracht bij Zijn eerste komst. Maar Hij moet nog terugkomen om alle treurigen te troosten, de treurigen Sions. Dit kan pas bij Zijn tweede komst, als Hij den dag der wrake zal inleiden. IsraŽl zal worden hersteld en een verheerlijkte natie zijn. - Is het wonder, dat dit hoofdstuk eindigt met een loflied over al de geschonken zaligheid?

 

62 Ja, Sions heerlijkheid is aanstaande, en de Heer zal niet rusten, totdat het heil gekomen is. De wachters op de muren moeten niet zwijgen, totdat Jeruzalem tot een lof op aarde is gesteld.

 

63 Hier hebben we een visioen van den ondergang der wereldmachten. De Heer Zelf komt om te oordeelen in den dag der wrake, en Hij vertreedt de volkeren.
"Ik heb de pers alleen getreden," ziet niet op Gethsemanť, op Jezusí lijden, maar op den wijnpers van Gods toorn.
Door het oordeel treedt de goedheid te meer aan het licht van Hem, die Zijn volk heeft gedragen, hoewel het wederspannig was. De geloovige IsraŽliet belijdt ootmoedig zijn schuld, en wendt zich dan met een hartroerende smeeking tot den Heer. (Vs 7.) Dit is een gebed, zooals het in den anti-Christelijken tijd vťťl zal opstijgen.

Zie de machtige volken in slagorde komen
Zoo razen de zeeŽn, zoo stormen zij aan!
Laat buldren de volken als moedige stroomen,
God fronselt den wenkbrauw, daar zijn ze vergaan!
Als stuifzand der bergen, zoo dwalen zij henen,
Als kaf voor den wind deinst hun dreigend getal!
ít Was doodsangst des avonds en klagen en weenen -
't Is vreugde des morgens en jubelgeschal.

 

64 Het gebed neemt toe in hartstochtelijkheid. Het dringt bij God aan. "Zie van den hemel af en aanschouw." Dit begint al in hoofdstuk 63 : 15. Het einde is: "Waarom zoudt gij stilzwijgen?" (Vs 12.)

 

65 en 66 Deze beide hoofdstukken geven het antwoord op dit groote gebed. Eerst wordt gesproken over de bereidwilligheid van God om te redden. (Vs 1 en 6.) Dan wordt gezegd, dat de afvalligen zullen vergaan. Maar daarna wordt het contrast geteekend tusschen het godvruchtig overblijfsel en de afvalligen, tusschen het heil van het overblijfsel en het onheil van de afvalligen. (Vs 11 en 24.)

Het einde is een

VERNIEUWDE SCHEPPING

Nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. (65 : 17; 66 : 22.)
Het heerlijk Vrederijk is opgericht!
In hfdst. 65 : 17 begint de beschrijving ervan, die loopt tot aan het eind van hfdst. 66 : 23.
Het antwoord aan het geloovig overblijfsel is: De goddeloozen en hun werken en gedachten zullen worden geoordeeld; voor alle menschen zullen zij een afgrijzing zijn. Maar IsraŽl zal plotseling en volkomen worden hersteld. (66 : 8.) Als een, die door zijn Moeder getroost wordt, zoo zal het door God worden getroost. (66 : 13.) En - roept de profeet nu uit: "Gij zult het zien, en uw hart zal vroolijk zijn, en des Heeren hand zal aan Zijn knechten bekend worden!" (66 : 14.) Oůk wij zullen het zien en vroolijk zijn!

 

J. N. V.