HET KONINKRIJK GODS

(2)

Wat beteekent nu de uitdrukking: het Koninkrijk Gods?

Deze uitdrukking heeft betrekking op den toestand waarin en het gebied waarover de REGEERENDE MACHT VAN GOD zich openbaart en uitgeoefend wordt in de verschillende omstandigheden.

Van alle, door het Woord van God gebruikte uitdrukkingen, om het Koninkrijk aan te duiden, is die van het "Koninkrijk Gods" de meestomvattende.

Er worden vermeld:

- HET KONINKRIJK.

- HET KONINKRIJK GODS.

- HET KONINKRIJK DER HEMELEN.

- HET KONINKRIJK VAN MIJN EN UW VADER.

- HET KONINKRIJK VAN DEN ZOON DES MENSCHEN.

- HET KONINKRIJK VAN DE WERELD, VAN ONZEN HEER EN ZIJN CHRISTUS.

Het "Koninkrijk Gods" is een verzamelnaam.
Het heeft twee beteekenissen:
de eene is een inwendige, geestelijke en zedelijke beteekenis;
de andere is een uitwendige beteekenis.
Dikwijls heeft het ook beide beteekenissen tegelijk.

 

Het geestelijk karakter komt duidelijk uit in de gedeelten: "Het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in den Heiligen Geest." Rom. 14 : 17. "Het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht." 1 Kor. 4 : 20.

Dezelfde beteekenis, zonder echter de tweede uit te sluiten, treft men aan in:
Hand. 1 : 3. "Sprekende over de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.''
Hand. 8 : 12. "Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zoowel mannen als vrouwen."
Hand. 20 : 25. "En nu zie, ik weet, dat gij allen, bij wie ik rondgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult."
Hand. 28 : 1. "Hij ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods en leerende aangaande den Heer Jezus Christus, met alle vrijmoedigheid, ongehinderd."
Vergelijk ook Matth. 6 : 33: "Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen er u bij gegeven worden."

Alleen het geloof kan het Koninkrijk Gods zien, genomen in de geestelijke beteekenis. Vandaar, dat de Heer tot Nicodemus zegt: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw (=van boven) geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Joh. 3 : 3.

 

Toen God in den Persoon van Zijn Zoon in deze wereld verscheen, was het Koninkrijk Gods daar, omdat de Koning tegenwoordig was en Zich openbaarde in al Zijn Goddelijke macht en wijsheid.
Daarom zegt Hij tot de FarizeŽn, die in hun vijandschap en in de verblindheid van hun hart, beweerden, dat Hij de duivelen uitwierp door BeŽlzebul, den overste der duivelen: "Maar indien ik door den Geest (door den vinger Gods) de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen." Matth. 12 : 28 en Luk. 11 : 20.

En op een andere plaats: "Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk vertoon, en zij zullen niet zeggen: "Zie hier! of zie daar! want zie, het Koninkrijk Gods is in het midden van u." Lukas 17 : 20, 21.

 

Beschouwd in de tweede beteekenis, de meer uitwendige, was het Koninkrijk Gods nog niet gekomen, hoewel het nabij was.
De Koning van IsraŽl was verschenen om het op te richten; als IsraŽl Hem had ontvangen, zou niets Zijn komst hebben verhinderd.
Hij, die na Johannes kwam, maar die vůůr hem was, bevond Zich in het midden van het volk en Hij had Zijn wan in Zijn hand om Zijn dorschvloer, IsraŽl, door en door te zuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur te verzamelen. MattheŁs 3 : 11, 12.

 

Maar tengevolge van de verwerping van Christus, moet de oprichting van het Koninkrijk in regeerende macht en heerlijkheid worden uitgesteld tot later en dit zal eerst plaats hebben bij de wederkomst van Christus, d.w.z. bij "de verschijning van den Zoon des menschen". (Matth. 24 : 27.)

De opgewekte Christus heeft Zich gezet aan de rechterhand der Majesteit in den hooge, (Hebr. 1 : 3 en Hebr. 10 : 12, 13.) verwachtende het oogenblik, waarop God Zijn vijanden zal gesteld hebben tot een voetbank Zijner voeten, Ps. 110 : 1, waarop Hij de schepter Zijner sterkte zal zenden uit Sion; dan zal Zijn volk, het geloovig overblijfsel van IsraŽl, een zeer gewillig volk zijn, op den dag Zijner heirkracht. Hij-zelf, Souverein-Priester tot in eeuwigheid naar de ordening van Melchizťdek, zal Zich zetten op Zijn troon en zal heerschen van zee tot zee en van de rivieren tot aan de einden der aarde. Zie Ps. 72 : 8.

Zach. 6 : 13: "Ja, Hij zal den Tempel des Heeren bouwen en Hij zal het sieraad dragen en Hij zal zitten en heerschen op Zijn troon, en de raad des vredes zal tusschen die beiden zijn." Jes. 9 : 6: "Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon Davids en in zijn KONINKRIJK, om dat te bevestigen en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver des Heeren der heirscharen zal zulks doen."

Reeds heden aanschouwt het geloof den Heer Jezus, gekroond met eer en heerlijkheid, wetende, dat weldra het gansch heelal Hem onderworpen zal zijn. Voor het geloof is alles zeker, is alles gewaarborgd door den Leeuw van Juda, den Overwinnaar, door het geslachte Lam, die gezeten is in den troon Zijns Vaders - maar nog niet op Zijn eigen troon. Openb. 3 : 21.

 

Het Koninkrijk draagt een bijzonder en geheel nieuw karakter, sedert de Zoon des menschen verworpen is en Hij is opgevaren tot "waar Hij tevoren was." Joh. 6 : 62.
Het is een Koninkrijk geworden, waarin allen, die den verworpen Koning liefhebben, evenals Hij vroeger, smaad en verwerping hebben te ondergaan; een Koninkrijk, opgericht op de aarde, waarvan de beginselen hemelsch zijn, waarvan de regeering in den hemel is.

Dit is de reden, waarom het Evangelie van MattheŁs, dat ons op een bijzondere manier de wegen Gods in Zijn regeering en de verandering in bedeeling voorstelt, altijd spreekt van "het Koninkrijk der Hemelen." (Op een enkele uitzondering na: Matth. 12 : 28 en Matth. 21 : 31, 43, waar het genoemd wordt het Koninkrijk Gods, en in Matth. 26 : 29 het Koninkrijk van Mijn Vader.)

P. d. J.