KORT OVERZICHT VAN DE PROFETIE VAN JESAJA

 

Het tweede groote deel. (I.)

Jesaja heeft zijn groote Profetie in twee deelen verdeeld. Als "tusschen haakjes" vermeldt hij tusschen de twee groote profetische deelen van zijn boek de geschiedenis van het volk onder Hizkia. Deze geschiedenis bevestigt de profetie.

De eerste twee hoofdstukken van deze parenthese, hoofdstuk 36 en 37, bevatten Hizkia's gebed, de invasie van den AssyriŽr, de boodschap van den profeet aan den koning en de verwoesting van het Assyrische leger. Hoofdstuk 36 en 37 zijn dus te beschouwen als een aanhangsel, dat Jesaja's visioenen uit het eerste deel geschiedkundig bevestigt: de ballingschap in Babel en de verre toekomst! - De volgende twee hoofdstukken, hoofdstuk 38 en 39, bevatten de historie over Hizkia's ziekte en hoogmoed. Deze zijn dus een inleiding op het groote tweede deel: Hiskia's ziekte en herleving, zijn hoogmoed ook, met Gods vergeving en vertroosting, zijn de historische bevestiging van den inhoud van het tweede deel.

De AssyriŽr en zijn verwoesting: de culminatie - het hoogtepunt - van het eerste deel; hoogmoed komt vůůr den val. De voorzegging van de ballingschap in Babel, wegens afwijking en hoogmoed van Gods volk, met de volle vergeving en het herstel.

Hizkia's ziekte vond plaats, vůůrdat Jeruzalem belegerd werd; toen Sanherib optrok tegen de vaste steden van Juda. Dit blijkt uit Jesaja 38 : 1 en 6. "In die dagen" wil zeggen: in de dagen genoemd in 36 : 1. In 38 staat de belofte voor Hizkia, uit de hand van den AssyriŽr te zullen worden gered, hij en Jeruzalem.

Hizkia was eerst 39 jaar. Had nog geen zoon. Zijn volk was in nood, doordat de vijand optoog tegen Juda.

Hizkia verootmoedigt zich. Hoewel hij een godvreezend vorst was, belijdt hij de zonden van zijn kortkomingen en verheffing. God verhoort zijn gebed, werpt zijn zonden achter Zijn rug, geeft genezing en nog vijftien jaar leven.

Hizkia dankt God, maar als allen hem komen gelukwenschen, komt de hoogmoed weer op in zijn hart; in plaats van de schatten van Gods genade, toonde hij den vijand uit Babel al zijn uiterlijke schatten, al wat vroeger veroverd en als gedenkstukken bewaard werd. Daarop wordt hem het oordeel over Jeruzalem en zelfs over zijn zonen aangekondigd. Hizkia verootmoedigt zich blijkbaar weer, want hij zegt: "Het woord des Heeren is goed." Maar hij bidt om uitstel van 't oordeel. Vrede en waarheid in zijn dagen. Dit gebed wordt weer verhoord. Want de AssyriŽr, die eerst tweemaal tevergeefs poogde Jeruzalem tot overgave te brengen en het toen belegerde, werd met een vreeselijken slag geslagen en kwam persoonlijk om. 't Eind van hoofdstuk 37 is dus: de machtige vijand teniet; profetisch: Gods volk verootmoedigd, en na angst en nood en verdrukking, door Gods genade genietend van "vrede en waarheid."

 

Ik zal nu trachten, over de hoofdstukken 40-66 eenzelfde kort overzicht te geven als over de hoofdstukken 1-35.

Deze 27 hoofdstukken zijn evenals de eerste 35 verdeeld in drie onderdeelen. 40-48 beschrijft de verlossing uit Babel, behalve van de goddeloozen, 49-57 spreekt over het lijden en de heerlijkheid van den Knecht des Heeren; 58-66 beschrijft de gebeurtenissen, die zullen plaats vinden na den genade-tijd. Het einde van alle drie der onderdeelen is: het gericht. God ontfermt Zich ten slotte nog over het afgeweken en teruggekeerde volk. Maar - de goddeloozen hebben geen vrede; die tegen God overtreden hebben en zich niet bekeeren, komen in het vuur, dat niet zal worden uitgebluscht. (Jes. 48 : 22; 57 : 21; 66 : 24.)

 

Troost is de gedachte, die het heele tweede groote deel beheerscht.

 

40 De herhaling van het woord "troost" wijst niet alleen op het gevoel, waarmee het wordt uitgesproken, maar ook op de dubbele vertroosting, die het volk noodig heeft; 1e. voor de ballingschap en 2e. bij zijn wederaanneming en herstel. Dubbele troost staat tegenover de dubbele kastijding van den Heer.
Er wordt dan gewezen op den koning, die dit tot stand zal brengen. En wiens voorlooper den weg voor hem zal bereiden. Voor IsraŽl zullen in de toekomst letterlijk de wegen begaanbaar worden gemaakt. De menschen willen het kromme recht maken, maar zij zijn zelf een krom en verdraaid geslacht. Alleen God kan alles recht maken!
Hij zal daartoe Sion gebruiken. Maar hij zal Zelf komen met Zijn loon, en Zijn kudde weiden. Groot is Hij als Schepper, groot als Messias; niemand is met Hem te vergelijken.
Door de grootheid van dien Messias, die de Eeuwig Getrouwe is, wordt Jakob vertroost en IsraŽl gesterkt.
Jesaja 40 : 3-5 wordt in Lukas' Evangelie gehťťl aangehaald, niet in MattheŁs. Alleen wordt in Lukas weggelaten, wat bepaald ziet op den Koning van IsraŽl. In plaats van "de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden," wordt gezegd: "alle vleesch zal het heil Gods zien."

 

41 Jehova's uitdaging. God daagt de afgodendienaars uit, waardoor hun schrik overkomt. De Anti-Semieten daagt God uit, en verkondigt hun ondergang. (11 en 12.) Tusschenin wordt IsraŽl getroost: het wormpje Jakobs zal bergen dorschen. Maar ze zullen eerst een tijd van nood en ellende moeten doormaken. - De Heer daagt dan de volken uit (vs 21) en Hij wint het pleit-geding. In de verzen 2, 3 en 25 wordt voor het eerst van Kores gesproken, zonder dat echter zijn naam nog wordt genoemd.

 

42 Hier wordt ons de uitverkoren Knecht des Heeren voorgesteld. Matth. 12 : 20 zegt ons, dat dit de Heer Jezus is. In verband daarmee wordt het nieuwe lied der schepping gezongen, want het zuchten der schepping zal ophouden. De Heer zal komen tot de volken en tot Zijn volk. - In vers 18 begint een toespraak tot Zijn verblind volk. Omdat het doof en blind is, heeft de Heer het aan plunderaars en roovers overgegeven.

 

43 De Heer troost Zijn volk. We zouden hier bijna van een Ik-hoofdstuk kunnen spreken. 't Is aldoor: "Ik heb, Ik ben, Ik verkondig. 36 maal komt dit woord in deze 28 verzen voor! Het begint: Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen." Het eindigt: "Ik gedenk uwer zonden niet." - Wat een heerlijk hoofdstuk, ook voor ons, want ook wij kunnen op Gods beloften de hand leggen. - De volken worden opgeroepen als getuigen. Babel wordt om IsraŽls wil gestraft, en de Heer maakt wat nieuws: een volk, dat Zijn lof vertelt. (vs 21.) Maar ach, wat was het een ondankbaar volk! God moest erover klagen.

 

44 De Heer belooft, Zijn Geest uit te gieten op het zaad van IsraŽl. Dit is nog geheel toekomstig. Wanneer dit plaats vindt, zal IsraŽl de ware Knecht des Heeren zijn.
In vers 7 wordt IsraŽl genoemd: een eeuwig volk.
Aan het slot, nadat de afgoderij bespot is, en nadat God gezegd heeft: "Er is geen God behalve Mij," wordt de voorzegging gegeven van de komst van Kores of Cyrus. Eerst een paar eeuwen later zou deze Perzische koning op het wereldtooneel verschijnen. Kores zou al het welbehagen des Heeren volbrengen.

 

45 De Heer spreekt Kores toe, en Hij rechtvaardigt Zijn keuze van dezen knecht. Deze is tegelijkertijd een type van den Messias. IsraŽl zal met een eeuwige verlossing worden verlost en zijn afgoderij worden beschaamd. Een vriendelijke uitnoodiging om tot het heil in Christus te komen, vinden we aan het slot vermeld.

 

46 De goden worden gedragen. Maar Jehova draagt IsraŽl. De groote hulpeloosheid van Babel wordt daardoor aangetoond. God zal Kores roepen als een roofvogel, een adelaar, en die zal Babels goden te schande maken. - Ook voor ons is God Dezelfde. Tot den ouderdom toe, ja, tot de grijsheid toe zal Hij ons dragen.

 

47 Babel, vol trots en zelfvertrouwen, - God bespot de wijzen van Babel, - zal diep worden vernederd. Babel zeide, dat zij Koningin was in eeuwigheid. Maar: "Daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw van Babel, daar is geen troon meer!"
Niet alleen de afgoden worden vernederd, zooals in hoofdstuk 46, maar Babel zelf. Ze wordt geschilderd als een wellustige jonkvrouw, die verstooten zal worden. De reden daarvan vinden we in vs 46: Babel heeft met lust Gods oordeel over IsraŽl voltrokken. Het kende geen barmhartigheid. Zelfs over de ouden van dagen maakte zij het juk zeer zwaar.,

 

48 God klaagt nu over de Joden.
Zij hebben Gods profetisch woord veracht. Als ze verlost worden, hebben ze dit alleen aan God te danken. "Om Mijns Naams wil." "Om Mijnentwil." - Vs 18 zegt: "och, dat ze naar Mijn geboden geluisterd hadden, dan zou hun vrede geweest zijn als een rivier."
Gehoorzaamheid aan Gods Woord zou het volk geluk hebben gebracht. Immers: de goddeloozen (zij, die niet met God rekenen) hebben geen vrede.
Dit hoofdstuk eindigt met de profetie van de verlossing uit Babel, die echter niet het deel van de goddeloozen zal zijn.

 

Wat heeft dit alles ook ons veel te leeren! God wil ons zegenen. maar dan moeten we naar Hem luisteren en Hem gehoorzamen.

J. N. V.