DE KORF MET ZOMERVRUCHTEN

Amos 8 : 1

De HEERE deed na de voorafgaande gezichten den profeet een korf met zomervruchten zien.
Hij heeft het aan Amos noch aan een onzer overgelaten van dit gezicht de beteekenis vast te stellen. God-Zelf deed het met deze woorden: "Het einde is gekomen over Mijn volk IsraŽl."

Het gericht Gods stond voor de deur: de AssyriŽr zou EfraÔm, de BabyloniŽr zou Juda wegvoeren in ballingschap! Dood en verderf zouden hun werk doen; de vreugdezangen zouden verstommen!

Het niemand en niets ontziende woord van den Godsgezant heeft de noodtoestanden blootgelegd. De gruwelijkste ongerechtigheden werden bedreven, terwijl men tegelijkertijd vasthield aan de heilige inzettingen: nieuwe maan en sabbat. Er werd geknoeid met de efa, met de prijzen, met het gewicht, en de arme werd als koopwaar verhandeld. Over de geheele linie was er bedrog. Zou God, de Heilige IsraŽls, zulks kunnen gedoogen?

Op ontstellende wijze wordt het Godsgericht door de verzen 8 tot 14 geteekend. Het meest ontroerende is misschien nog wel de begeerte naar een woord Gods, als het niet meer te vinden zal zijn!
Die God verlaat, heeft smart op smart te vreezen!

Hoe ernstig is deze roepstem ook voor ons, levende in een tijd van corruptie, waarin men, als weleer, handhaven wil, wat op zichzelf de hoogste waarde heeft, doch krachteloos wordt gemaakt door al wat er rechtstreeks mee in strijd is!
God ziet het wezen aan.
Hij moet Zich afwenden van wat een gedaante van godzaligheid is, als de kracht ervan verloochend wordt. En tot den getrouwe zegt Hij dan ook: "Wend u van dezen af!"

J. T.