ISMAňL EN ISRAňL.

 

Er is een eeuwenoude broederstrijd tusschen IsmaŽl en IsraŽl. We weten allen, hoe de Bijbel voortdurend spreekt over IsraŽl, en hoe de profetie, dat dit volk van twaalf stammen over de aarde zou worden verstrooid, letterlijk is vervuld.

Indien Mozes dezelfde voorzeggingen had gedaan over de nakomelingen van den halfbroeder van IsraŽl, zou er van zulk een vervulling geen sprake zijn geweest. IsmaŽl was, evenals IsraŽl, de vader van een groot volk. Zooals uit Izak door Jakob twaalf stammen ontsprongen, zoo waren er ook twaalf stammen, van welke IsmaŽl de vader was. (Genesis 17 : 20.)

Had nu Mozes voorzegd, dat de zonen van IsmaŽl ten gevolge van hun zonden - en zij waren even groote zondaren als de Joden - verstrooid zouden worden onder alle volken; dat zij overal in de wereld zouden ronddolen vanwege hun overtredingen; dan zouden de eeuwen, die sindsdien voorbij zijn gegaan, getuigen van de valschheid van zulk een voorzegging. Er zijn al meer dan 3500 jaren verloopen, sinds het volk van IsmaŽl ontstond, en de kinderen van IsmaŽl leven heden ten dage nog precies, waar zij leefden in de dagen van Mozes, die hun oorsprong beschreef.

De Arabieren zijn niet, zooals het volk der Joden, over de heele wereld verstrooid geworden. Nooit zien we een Arabier in de verschillende landen, tenzij een enkeling, bij voorbeeld als verkooper van Oostersche stoffen.

Maar in alle landen vindt gij de Joden; ze kruisen voortdurend uw weg. De zonen van IsmaŽl echter vindt ge op een uitzondering na allen nog waar ze eeuwen geleden woonden. Vandaar ook de moeilijkheden in Palestina. Want de verstrooide zonen van IsraŽl willen terug naar het land, waaruit zij verdreven zijn; willen hun nationaal tehuis ten deele of geheel in bezit nemen. En de zonen van IsmaŽl, die zich voor een deel in Palestina en omgeving hebben genesteld, beschouwen de kinderen van hun halfbroer als brutale indringers. En zoo heerscht daar, nu reeds tijden lang, een broederstrijd. Wie zal den krijg winnen?

Het is merkwaardig, dat dezelfde Schrift, die voorzegd heeft, dat IsraŽl zal verstrooid worden, even duidelijk de belofte geeft, dat zij op Gods eigen tijd weer vergaderd zullen worden in hun eigen land. Na den vorigen wereldoorlog is door de Declaratie van Balfour Palestina opengesteld als een tehuis voor de Joden. Dat wil echter niet zeggen, dat de Arabieren en de Joden tot een overeenkomst zijn gekomen. Integendeel: ze konden evenmin met elkaar omgaan als vroeger, en ook ný nog willen zij niets van elkaar weten.

Dit verandert evenwel niets in betrekking tot Gods beloften. Het behoeft ook in 't minst niet ons vertrouwen te schokken, dat, trots de vijandschap van de Arabieren, de Joden terug zullen komen in hun land.

Ik herinner me nog zoo goed, dat in het begin van den eersten wereldoorlog de krantenverkoopers op straat het uitschreeuwden: "Allenby heeft Jeruzalem genomen." Dit wekte aller groote belangstelling. Zonder ťťn enkel schot te lossen, was de heilige stad onder het bestuur en de bescherming van Engeland gekomen. En toen volgden de beloften aan de Joden. Helaas, niet nagekomen! En er volgde een tijd, dien ik tusschen haakjes zou willen zetten. God ging voort met Zijn Evangelie-werk onder de volken, meer dan ooit, en de boodschap des heils in Christus werd nooit zoo in alle landen verbreid, als in de jaren tusschen den eersten en tweeden wereldoorlog! Maar de teleurstelling der Joden was groot, toen de gegeven beloften niet werden gehouden, en vooral in den laatsten tijd komen de zonen van IsraŽl met verzet op voor hun rechten wat Palestina betreft, en zij beroepen zich op hetgeen hun in beide oorlogen een en andermaal is toegezegd.

Het blijft echter een moeilijk probleem voor de grootmachten: ze willen beide broedervolken ter wille zijn, maar dit zal onmogelijk blijken. Het is ook ný weer uitgekomen! Trouwens, God wil, dat wordt rekening gehouden met Zijn beloften aan IsraŽl, en men het dus voor Zijn volk, het volk van Zijn verkiezing, opneemt.

Verblijdend en hoopgevend is het, dat, waar Engeland, om welke practische redenen dan ook, zijn belofte niet is na gekomen en niet nakomt, Amerika zich in Gods hand blijkbaar wil laten gebruiken, om de hoop van IsraŽl te vervullen.

Met belangstelling zien we uit naar hetgeen de Heer verder zal werken. Zijn molens malen langzaam, maar zeker. Reeds in 1895 werden de harten van allen, die in de profetie der Schrift gelooven, met hoop vervuld in betrekking tot het volk der Joden. toen daar die groote Sionistische beweging begon. Het heeft nu al weer een halve eeuw geduurd, sinds wij meenden, dat het land weer werd opengesteld voor IsraŽl. Maar toch heeft God voortgewerkt en zijn we weer dichter bij de vervulling gekomen. Meer dan ooit zien wij, uit hetgeen in Palestina geschiedt. dat over kort of lang de Joden hun aardsch "Tehuis" zullen ontvangen.

Met biddende harten stellen wij de vraag, of in den ťťrstvolgenden tijd een einde zal komen aan den broederkrijg in Palestina. En - op wŤlke wijze dan ook - IsmaŽl zal plaats maken voor IsraŽl!

J.N.V.