KORT OVERZICHT VAN DE PROFETIE VAN JESAJA

 

Het eerste groote deel (III)

Het derde stuk van het eerste groote deel, bestaande uit de hoofdstukken 28-35, bevat een zesvoudig wee, een beschrijving van den ondergang van het wereldrijk, en van den opgang van het Vrederijk, waarin alles bloeien en juichen zal.

 

28 In dit hoofdstuk wordt de profetie over Samaria tot leering gesteld voor Juda, waarvan het zedelijk verval groot is. (1-8.)
Juda's voorgangers bespotten Jesaja. Maar God zal de spotters bespotten!
Hadden ze maar geluisterd naar den profeet! Dan zouden ze rust hebben gekregen. Dan zou er rondom vrede en vrijheid zijn gevonden. Maar nu! .... Ze zouden zich aan de volkeren stooten en verpletterd worden! (9-13.)
Er is tweeŽrlei toevlucht: de spotters maken een verbond met den dood; maar die op God vertrouwen stellen God tot hun toevlucht door Christus. (14 en 15.)
Daar is een grondsteen gelegd in Sion. Sion is een toevluchtheuvel. Die gelooft zal er op steunen, niet haasten, niet vluchten. (16.)
Op dien grondsteen wordt een gebouw opgetrokken. (17.) Voor de goddeloozen is geen veiligheid. Maar van den geloovige kan gezegd: "Zijn God onderricht hem." (26.)

 

29 AriŽl beteekent: Leeuw Gods. Het is een andere naam voor Jeruzalem. Aan het eind van den genade-tijd komt de groote AssyriŽr, - zooals Sanherib dit eens heeft gedaan.
Het eerste wee was over Juda, het tweede over Jeruzalem, het derde is tegen hen, die heimelijk een bondgenoot zochten in Egypte.

 

30 Hier komt het vierde wee, dat zich aansluit bij het derde. Men gaf zich af met het heidensche Egypte. En daarom wordt van afvallige kinderen gesproken. God had hen geroepen, maar zij hebben niet gewild. In stilheid en vertrouwen had hun sterkte moeten zijn. Het moest worden een wachtend God en een wachtend volk. Als dit het geval zal wezen, zal IsraŽl hersteld en gelukkig zijn. (19, 26.) Dit heeft IsraŽl nog nooit beleefd.

 

31 Een vijfde wee, dat weer gaat over degenen, die in Egypte hulp zoeken. Van menschen moet het niet worden verwacht, maar van den Heilige IsraŽls. Hem moet men zoeken. Hij zal bevrijden en bewaren.

 

32 De komende Koning en Zijn rijk.
Die man zal zijn als een schuilplaats tegen den vloed, als een verberging tegen den storm.
Nog eens wordt een strafrede uitgesproken tegen de wellustige vrouwen. Maar het zal niet zoo blijven, want de Geest zal worden uitgestort uit de hoogte

 

33 Nu volgt het zesde wee. Dit staat lijnrecht tegenover het: "Welgelukzalig" aan het einde van het vorig hoofdstuk. Die het Koninkrijk zullen ingaan, zullen alom zaaien, want er zullen overal levende wateren zijn, en os en ezel zullen onverlet kunnen weiden, daar er geen roofdieren zullen wezen. Maar vreeselijk zal het zijn, wat de verwoester zal uitrichten. Behalve in het historisch gedeelte (hoofdstuk 36-39) wordt hier Assur voor het laatst genoemd. Sanherib zal vallen, en zůů zal het ook zijn met den grooten AssyriŽr, den koning van het Noorden.
Eerst moet hij zijn verwoestend werk kunnen doen. Maar dan wordt hij vernietigd.
En nu bidt het trouwe overblijfsel in den nood tot God. Want alles weent vanwege de ellende, die de AssyriŽr heeft doen komen. Het gebed van het overblijfsel zal verhoord worden door den Koning in Zijn schoonheid.

 

34 Dit is een van de donkerste hoofdstukken uit den Bijbel. Het wereldgericht wordt aangekondigd. Alle volken en hun legers zullen Gods grimmigheid ondervinden. Wel vijfmaal vinden we het woord: "al". Ook het heir der hemelen, de booze geesten in de lucht, zullen worden geoordeeld. Edom, het broedervolk van IsraŽl, dat IsraŽl meer haatte dan menig ander volk, zal geoordeeld worden. Bozra is de hoofdstad van Edom. God zal alles doen, om Sions twistzaak ter hand te nemen.
Dan volgt de opwekking om in het Boek des Heeren te lezen, en daar te zien, dat Zijn gerichten, en Zijn beloften van ontferming, onfeilbaar zijn.
Dat ook Edom nog hersteld zal worden, hebben we reeds vroeger gezien uit DaniŽl, en blijkt ook uit Jesaja 29 en uit Obadja.

 

35 Nu volgt vrede op aarde. De heele schepping wordt gezegend. Alle vrijgekochten keeren terug. Gevolgen der zonde worden weggenomen. De aarde wordt vernieuwd. Verscheurend gedierte is er niet meer. Er zal een verheven baan zijn, een hoog-heilige weg, waarop IsraŽl zal wandelen in vreugde.

 

Daar zullen veilig zich vermeien,
die vrijgekocht zijn door den Heer.
Daar keeren, die in boeien schreien,
naar Sion als verlosten weer.

 

De blijdschap zal hun hoofden kronen,
een eeuw'ge vreugd gaat hun ter zij;
de vrÍe zal in hun boezem wonen,
de smart, de kommer zijn voorbij!

 

En daarom: houdt moed! De Heer zal komen! Versterkt dan de slappe handen en stelt de struikelende knieŽn vast.

J. N. V.