HET KONINKRIJK GODS

(1)

 

Er zijn in de raadsbesluiten Gods betreffende de aarde twee groote bedeelingen. De eene is gegrond op de verantwoordelijkheid van den mensch, d.w.z. op zijn getrouwheid om te beantwoorden aan deze verantwoordelijkheid: het is de bedeeling der wet. De andere bedeeling rust, naar het raadsbesluit van God, op de werking van Zijn macht: het is die van het Koninkrijk. De eerste is begonnen op den berg SinaÔ door de wet, waaronder de mensch zich vrijwillig heeft geplaatst, zie Ex. 19 : 8. De tweede is ingeleid door den Voorlooper van den Heer Jezus, die van het begin van Zijn dienst af de verschijning van het Koninkrijk als nabij heeft aangekondigd. De Heer en Zijn discipelen hebben dit onderwijs voortgezet.

Het volk van IsraŽl had zich geplaatst op den bodem van de wet. Als het die bewaard had, als het het Evangelie van het Koninkrijk had aangenomen, zou dit in macht en heerlijkheid zijn opgericht, en vrede en orde zouden op de aarde geheerscht hebben onder den schepter van den Vorst des vredes. Maar wij weten, dat de mensch onbekwaam is, de wet te volbrengen. Toen het waarachtige Licht in deze wereld heeft geschenen, is de ondoordringbare duisternis geopenbaard als de ware toestand van den mensch: zijn innerlijke verdorvenheid en zijn vijandschap tegen God. Het getuigenis van Johannes en dat van den Heer Jezus Zelf is verworpen. Johannes werd onthoofd en Christus werd gekruisigd.

De oprichting van het Koninkrijk in macht en heerlijkheid werd onmogelijk. De profetie van DaniŽl werd vervuld: "De Messias zal uitgeroeid worden."

In plaats van een periode van heerlijkheid en macht gaat IsraŽl de eeuwen door in smaadheid en verstrooiÔng. Deze tijden zullen duren tot op de wederkomst van den Messias, den Zoon des menschen, wanneer Hij Zijn heerschappij zal uitstrekken over alle dingen in hemel en op aarde.

In den laatsten nacht, dien Hij hier beneden doorbracht, zei de Heer tot de leiders van het Joodsche volk: "Van nu af aan zult gij den Zoon des menschen zien zitten aan de rechterhand der kracht ťn zien komen op de wolken des hemels."

Is het Koninkrijk dan niet opgericht?

Zeker, maar onder een verborgen en geheel nieuwen vorm. De Heer onderricht er Zijn discipelen over in MattheŁs 13.

Deze gelijkenissen maken hen, en ook ons, tot ingewijden in de "verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen". (Zie Matth. 13 : 11.) Aan de "oude dingen", die vroeger geopenbaard waren, werden "nieuwe dingen" toegevoegd. Daarom: ieder schriftgeleerde, die een discipel van het Koninkrijk der hemelen gemaakt isÖ, brengt uit zijn schat nieuwe en oude dingen voort. Matth. 13 : 52.

P. de J.