ELPENBEENEN BEDSTEDEN

Amos 6 : 4

Met heilig sarcasme wendt zich de Profeet tot de vooraanstaanden in IsraŽl, die twee dingen deden. Zij brachten den stoel des gewelds nabij door het oordeel uit te lokken van wege hun willekeurige heerschappij van geweld en ongerechtigheid en tegelijkertijd stelden zij den boozen dag, den dag der vergelding, zoo ver mogelijk weg. Het is of we de stem van den Apostel Paulus hooren, als hij over de zorgeloozen van zijn dagen spreekt: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. Met den dood is toch alles uit. Laten we het er dan bij ons leven maar van nemen. Dood is dood! Vreeselijke werkelijkheid, ontzettende ontgoocheling, als het oordeel komen zal!

De stamvorsten te Sion en te Samaria, de leidslieden IsraŽls, zoo hoog bevoorrecht onder de volken, zij dachten niet aan God, en aan Diens heilige eischen, maar zij leefden voor zichzelf. In vadsige rust lagen zij op hun weelderige, met elpenbeen ingelegde divans, en dachten alleen maar aan lekkere maaltijden, opgeluisterd door vroolijke muziek. Zij dachten zich muziekinstrumenten uit, gelijk David, evenwel niet om daarmede God groot te maken, doch voor eigen genot. Voor de ellende van hun onderdanen, voor de "verbreking Jozefs" hadden ze niet de minste aandacht. Zij doen denken aan de broederen van den in den kuil nedergelaten Jozef, van wie gezegd wordt: "Zij togen Jozef den veelvervigen rok uit, .... wierpen hem in den kuil .... en zaten daarna neder om brood te eten."

In hun valsche gerustheid zouden de vorsten van EfraÔm en Juda worden opgeschrikt. Ze zouden hun weelderige paleizen moeten verlaten, hun zingenot zou slechts voor een tijd zijn.

J. T.