VRAGEN EN ANTWOORDEN

 

P.K. te Monster vraagt: In 1 Korinthe 8 leert de Apostel, dat een afgod niets is, en dat het eten van offervleesch niet verkeerd is; hoewel men, als een broeder dat niet verstaat, het niet moet eten, om dien broeder niet tot een aanstoot te zijn. Hoe is dat nu in overeenstemming te brengen met Hand. 15 : 29, waar onder de vier dingen, waarvan men zich onthouden moest, als eerste wordt genoemd het eten van hetgeen aan de afgoden geofferd is?

 

In 1 Korinthe 10 zegt de Apostel, dat hetgeen de volken offeren, zij dat aan de duivelen offeren. Vandaar het algemeen verbod, zich te onthouden van hetgeen den afgoden geofferd was.

Maar dit nam niet weg, dat voor hem, die de Christelijke waarheid verstond, een afgod niets was, en dus ook het eten van het offervleesch niet verkeerd was, tenzij dan dat door gebruik te maken van zijn vrijheid, de broeder wat zijn geweten betreft zou worden geschaad. Den afgodendienst moest men echter vlieden. En een gevaar voor den afgodendienst was het eten van hetgeen den afgoden geofferd werd.

 


J.M. te Almelo vraagt of het in strijd is met Gods woord als volwassen zusters zich in het openbaar vertoonen gekleed met lange broeken? En of het niet op den weg der broeders ligt daartegen te getuigen.

 

"Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw," zegt Deut. 22 : 5. Dit gebod werd gegeven om het verschil der geslachten te handhaven. Bij de schepping van man en vrouw was dit onderscheid geopenbaard, en IsraŽl mocht daar niet tegen zondigen. Elke afwijking van deze Goddelijke beschikking is onnatuurlijk en daarom een gruwel in de oogen van God. Deuteronomium is het boek der gehoorzaamheid. Onze ongelijkvormigheid aan de wereld moet echter natuurlijk geen bloot uiterlijke of werktuigelijke zijn, maar een innerlijke. Rom. 12 : 2.