KORT OVERZICHT VAN DEN BRIEF AAN DE ROMEINEN

 

Romeinen 12 - 16

 

Bij dit derde gedeelte van den brief aan de Romeinen, denk ik aan de woorden van den Heer Jezus: "Wees gereinigd" en "Sta op en wandel." De Heer alleen kan reinigen; het leven geven. Maar als het gaat om den wandel, moeten wij zelf handelen en kunnen anderen ons helpen. De Heer gaf aan Lazarus het leven, maar de discipelen moesten de doeken afnemen, zoodat hij zich kon bewegen en wandelen.

 

Het begin van hoofdstuk 12 herinnert ons aan de reiniging. "Door de ontfermingen Gods" wil zeggen: op grond van die ontfermingen. De genade roept tot den dienst. In een wereld van zonde, moeten wij wandelen Hèm waardig, die ons tevoren verordend heeft, die ons ook heeft geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt.

In Romeinen 6 : 19 was daarop al gezinspeeld: "Stelt nu uw leden in slavernij der gerechtigheid tot heiligheid." Daarom is het eerste. dat hier gezegd wordt: stelt uw lichamen tot een levende offerande, heilig, Gode welbehaaglijk, welke is uw redelijke dienst.

Ons heele leven moet onder controle staan van Hem, die alles voor ons deed en uit liefde gediend wil worden. Dit is niet iets, dat we eens voor altijd doen, maar elk oogenblik van ons leven door.

Genade roept tot gehoorzaamheid. Onze lichamen, instrumenten van onzen geest - dus onze handen, voeten, oogen, ooren, tong en mond - àlles moet Hem ten dienste staan.

Doen wij dit, dan kunnen we ook het woord vervullen: wordt dezer wereld niet gelijkvormig. We behagen dan Christus, en niet deze booze eeuw, waarvan Satan de god is. Bij wereld wordt hier gedacht aan eeuw. Van de tegenwoordige eeuw wordt gezegd, dat zij boos is. En Jakobus merkt op, dat de vriendschap der wereld vijandschap tegen God is. Wij zijn, zooals Paulus aan de Galaten zegt, der wereld gekruisigd; en de wereld aan ons: het kruis, dat tusschen ons en de wereld staat, wordt door de wereld gehaat.

We hebben dit in practijk te brengen; ons van de wereld steeds gescheiden te houden. Daartoe moeten we veranderd worden. En dit geschiedt door de vernieuwing van ons gemoed. Die vernieuwing is eens voor altijd geschied. Maar die vernieuwing moet ons voortdurend ten goede beïnvloeden; onze inwendige mensch wordt, als we in gemeenschap met den Heer leven, van dag tot dag vernieuwd. (2 Kor. 4 : 16.) Dan zijn wij in staat onze lichamen te stellen tot een levende offerande. Christus gaf Zichzelf voor ons als offer in den dood. En nu stellen wij - en dit is een dienst in overeenstemming met de rede, met het verstand - ons leven voor Hem ten offer.

Dit alles vereischt waakzaamheid, gebed en onderzoek van het Woord. Want de verandering door ons vernieuwd gemoed, moet ons brengen tot het vragen naar Gods wil. We moeten beproeven wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is. Vele vragen zouden niet gesteld worden, als we dit woord ter harte namen. Meestal luiden de vragen: mag dit, mag dat? Maar we moeten ons laten leiden door de gedachte: is het goed voor God, Hem welbehaaglijk, naar Zijn volmaakten wil?
Leggen we dezen maatstaf aan, dan zal er veel vervallen wat we anders doen, omdat het toch geen "zonde" is!

 

Nu volgt een woord over de wijze waarop wij gemeenschappelijk den Heer moeten dienen. (Vs 3-8.) En een woord over een heiligen wandel, en over een goede gezindheid als vrucht van het nieuwe leven, dat wij deelachtig zijn door de genade, die ons gegeven is. (Vs 9-21.) Eerst was er sprake van ons menschelijk lichaam. Nu gaat het om het geestelijk lichaam, zooals in Efeze 4 en 1 Kor. 12. Elk lid van dit lichaam heeft een gave. Elk heeft zijn eigen functie. En allen verschillend. Het gaat er hier niet om, precies die verschillende functies te beschrijven; dat gebeurt elders. Maar hier legt de Apostel er den nadruk op, dat er getrouw gebruik gemaakt moet worden van die gaven. Daarbij sluit dan nauw aan: een dagelijksche wandel in heiligheid. (Vs 9-21.) Het uitgangspunt is de liefde. Het zijn een reeks van spreuken, die we dikwijls moesten lezen: vers 12 tot en met het slotvers: "word door het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede."

 

Er was echter nog méér te regelen. Kinderen Gods zijn vreemdelingen en pelgrims in deze wereld. Hoe moest dan de verhouding zijn tegenover de Overheid? Dit wordt gezegd in hoofdstuk 13 : 1-7. Hoe licht vergeten we, dat we als vreemdelingen niet moeten deelnemen aan deze wereld, maar gehoorzamen aan de Overheid, die over ons gesteld is. "Eert allen… eert den Koning". Dit zijn wij in 't bijzonder der Overheid schuldig, zoolang God ons op aarde laat.

Maar ook in het algemeen moeten we tegenover de menschen niets schuldig zijn. Dan alleen in dit eene opzicht, dat we elkander moeten liefhebben. (Vs 8.) De wet kan dit niet doen: alleen, die waarlijk liefheeft, uit God geboren is, vermag dit.

En temeer willen we ons zoo openbaren, als we eraan denken, dat de dag nabij is. De komst des Heeren moet ons aansporen om heilig te leven. De wederkomst des Heeren is een reinigende hoop. God wenscht scheiding van het kwaad en een aandoen van den Heer Jezus Christus.

 

Nu moest er nog een belangrijk vraagstuk worden behandeld.
Er waren zwakken in het geloof, in Christus: die niet ten volle hun standpunt in Christus kenden. En daardoor hadden zij allerlei moeilijkheden in betrekking tot het houden van dagen, het zich onthouden van spijs en drank. "De een gelooft alles te mogen eten, maar die zwak is, eet moeskruiden." Hoe moesten deze nu elkaar behandelen? Becritiseeren, veroordeelen? De sterken moesten de zwakken aannemen, uit liefde: en niet eerst na allerlei vraagstukken te hebben beslist. (Rom. 14 : 1-12.)

"Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat of valt zijn eigen heer." Bovendien zal de Heer in Zijn groote goedheid hem in al zijn zwakheid staande houden. Ieder is verantwoordelijk aan den Heer. Niemand leeft zichzelf. Voor den rechterstoel wordt alles openbaar, en zal een iegelijk voor zichzelf Gode rekenschap moeten geven. Er is nog meer dan dit, volgens de verzen 13-23. We moeten den zwakken broeder niet alleen niet oordeelen, maar hem ook geen aanstoot geven. De wet der liefde eischt, dat we met zijn zwakheid rekening houden. Hij is toch een broeder, voor wien Christus gestorven is. En het Koninkrijk God is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid en vrede, en blijdschap in den Heiligen Geest. Als we den Heere Christus in deze dingen dienen, zijn wij welbehaaglijk bij God, en beproefd bij de menschen.

Zoo moeten we dan najagen, wat tot den vrede en de stichting onder elkander dient.

Gelukkig hij, die roemt in de Christelijke vrijheid, maar die toch niet boven zijn geloof uitgaat in wat hij doet. Gelukkig hij, die zichzelf niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt, maar waarlijk uit geloof handelt in een gezindheid van broederliefde.

 

In Hoofdstuk 15 wordt ons nòg een beweegreden opgenoemd, waar om wij de zwakheden van den zwakke moeten dragen. Het is Christus, "die niet Zichzelf behaagde." Wij hebben dus drie beweegredenen aangaande den zwakken broeder.

1. Hem aan te nemen, niet om twijfelachtige vragen te beslissen, maar hem in liefde, met zijn mindere kennis, te dragen.
2. Hem niet te oordeelen, omdat ook hij Christus’ dienaar is en hij zelf aan den Heer (verantwoording) moet geven.
3. Den naaste te behagen, tot stichting, zooals Christus dit deed.

 

Nu zijn eigenlijk de vermaningen ten einde, maar roert de Apostel nog eens het vraagstuk aan betreffende Joden en Heidenen. Daarom wijst Hij op de Schriften, op eensgezindheid en eendracht; op elkander aannemen, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, ter heerlijkheid Gods.

Christus was een dienstknecht der besnijdenis, opdat de Schriften zouden vervuld worden. Daarom verscheen Hij in 't midden van Zijn volk. Maar ook de Heidenen moesten genade ontvangen door Hem. En dat dit het doel was van God - de Heidenen te zegenen met Zijn volk Israël - wordt door vier Schriftuurplaatsen bevestigd. Natuurlijk wil dit niet zeggen, dat deze Schriftuurplaatsen hiermede vervuld zijn; dit komt nog bij de tweede komst des Heeren.

Maar God is de God der hoop, die ons vervullen wil met alle blijdschap en vrede in het gelooven.

Tenslotte spreekt Paulus in de verzen 14-33 over zijn eigen dienst. Hij was een bijzondere dienaar van Christus voor de volken. Het is een mooie beschrijving van zijn nederigheid, van zijn merkwaardig krachtigen dienst, van zijn vertrouwen. Hij spreekt de hoop uit, nog naar Rome te mogen komen en vraagt aan de broeders om voor hem te bidden. Hij wilde met blijdschap naar Rome komen en de broeders dienen, met hen vertroost en verkwikt worden. Maar toen hij er eindelijk kwam, kwam hij er als een gevangene in den Heer.

 

Het laatste hoofdstuk bevat in de verzen 1-16 verschillende groeten aan allerlei personen; vooral ook aan zusters. Febe wordt bijzonder aanbevolen. Prisca en Aquila waagden hun leven voor den Apostel. Zie Hand. 18 : 18. Vergelijk Hand. 18 : 26. Als het gaat om de leer wordt Aquila, de man, het eerste genoemd. - Zie ook 1 Kor. 16 : 19 en 2 Tim. 4 : 19.

Er volgt een vermaning jegens scheurmakers, wat de leer betreft. (Vs 17-20.) Booze machten van Satan. Maar de vertroosting is, dat de God des vredes weldra Satan en al zijn machten onder de voeten der geloovigen in Christus zal verpletteren. Weest dan gehoorzaam, wijs in het goede en onnoozel in het kwade!

Nog eenige bijzondere groetenissen, nu niet aan, maar van. Let vooral op de uitdrukking: de broeder Quartus. Zijn eerenaam was de broeder. Tertius, die den brief schreef, zet ook zijn handteekening er onder. En dan eindigt de Apostel met een lofprijzing en rangschikt zijn brieven onder de profetische Schriften. Dit zijn niet de schriften van de oude Profeten, maar de Nieuw-Testamentische brieven van Paulus en anderen.

Machtig te bevestigen! Dit wordt gezegd van de Schriften, door God ons gegeven. En daartoe behoort in de éérste plaats de Brief aan de Romeinen.

J. N. V.