KORT OVERZICHT VAN DEN BRIEF AAN DE ROMEINEN

 

Romeinen 9 - 11

 

"Hoe kan God Zijn uitverkoren volk terzijde stellen?" Dit vraagstuk wordt door Paulus in zijn brief aan de Romeinen beantwoord in drie hoofdstukken. op drieŽrlei wijze:

1. In hoofdstuk 9 wordt aangetoond, dat God souverein is; dat Hij Zich Zijn vrijheid volkomen voorbehoudt.
2. In hoofdstuk 10 wordt als de oorzaak van IsraŽls terzijdestelling op IsraŽls zonde en ongeloof gewezen.
3. In hoofdstuk 11 verklaart God Zijn wijze van doen met IsraŽl door de toekomst-gevolgen aan te toonen: IsraŽls volkomen herstel.

Nadat Paulus in de eerste drie verzen van hoofdstuk 9 zijn droefheid heeft geuit over de verharding des harten van het volk, dat hij zoo liefhad, vestigt hij er de aandacht op, in de verzen 4 en 5, welke groote voorrechten IsraŽl bezat. God had IsraŽl uit alle geslachten van den aardbodem alleen gekend. (Amos 3 : 2.) "Dit groote volk alleen is een wijs en verstandig volk. Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zoo nabij zijn, als de Heere, onze God, zoo dikwijls wij Hem aanroepen? En wat groot volk is er, dat zoo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze gansche wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?" (Deuteronomium 4 : 6-8.) God was als een Vader voor IsraŽl, en IsraŽl was Zijn zoon, Zijn eerstgeborene. Paulus geloofde vast in al de heerlijke dingen, die bij het nationaal herstel van IsraŽl het deel van dit volk zouden zijn. Met een lofprijzing roept hij het uit, dat niet alleen van IsraŽl de vaderen zijn, maar dat, wat het vleesch aangaat, de Christus uit IsraŽl is, die God is boven alles te prijzen tot in eeuwigheid. Amen.

Er is geen volk zoo groot, als dit volk van IsraŽl! Van hen is het zoonschap; zij zijn Zijn familie op deze aarde, bestemd voor de aardsche zegeningen. Van hen is de heerlijkheid. In zichtbare heerlijkheid woonde de Heer in hun midden, hoewel toen niet aanwezig, zou eenmaal die heerlijkheid terugkeeren. (EzechiŽl 43 : 4; Jesaja 4.) Van hen zijn de verbonden en is de wetgeving; de verbonden en de wet waren gemaakt met en voor het volk. Van hen is ook de dienst van God; zoo vol van zegen en van profetische beteekenis. Zij hadden ook de beloftenissen: als eenmaal hun nationale bekeering en herstel aanbreken, zullen alle beloften in al haar volheid worden vervuld. (EzechiŽl 40-47.)

In de verzen 6-8 toont de Apostel dan aan, dat Gods verkiezing onvoorwaardelijk is. Al had het volk als natie gefaald door ongeloof, - alles ging uit van den ontfermenden God. En die God is souverein. Had Hij naar Zijn gerechtigheid gehandeld, dan zou Hij het heele volk hebben moeten verdoen. Maar God hield trots alles Zijn belofte. Ezau had Hij gehaat. Dit is een aanhaling uit Maleachi. Ze staat dus aan het eind van het Oude Testament, nadat de voortdurende boosheid van Ezau (Edom) zich ten volle had geopenbaard. Jakob had Hij liefgehad, maar dat was een onverdiende liefde zooals de toorn over Edom een verdiende toorn was. God is souverein. Dit was ook uitgekomen in het oordeel over Farao. Farao was een booze man, die God haatte. God toonde hem nochtans Zijn barmhartigheid; maar Farao verstokte zijn hart. Zoowel IsraŽl als Farao waren boos en verdienden Gods toorn; maar God in Zijn souvereiniteit ontfermde Zich over IsraŽl: het overblijfsel ervan zou behouden worden.

Maar als dan alles toch van God afhangt, waarom klaagt of berispt God dan nog? Dit probleem ziet de Apostel onder de oogen in de verzen 19-30.
leder, die tegen zijn Schepper het woord opneemt, is ernstig te bestraffen. Zal het maaksel aan zijn Maker verantwoording vragen? Kan God niet doen wat Hij wil, wat Hij goedvindt?
Maar nochtans - hoewel het maaksel geen enkel recht heeft, zijn Maker ter verantwoording te roepen als Hij het onbegrijpelijke doet en goed vindt - is Gods doen niet willekeurig. God is verdraagzaam jegens de goddeloozen, al hebben zij zichzelf, als vaten des toorns, tot het verderf toebereid, en al moet dus de toorn Gods over hen komen. (Vs 22.) En Gods doel is, om de vaten der barmhartigheid, die Hij Zelf te voren tot heerlijkheid heeft bereid, den rijkdom der heerlijkheid Zijner barmhartigheid bekend te maken. (Vs 23.)

Tot slot van zijn beschouwing in dit hoofdstuk zegt de Apostel: IsraŽl verwierp Gods gerechtigheid. Het verwierp het beginsel van het geloof: het Evangelie in Christus. Dat Evangelie was hun een aanstoot. Een gerechtigheid, die uit het geloof is, in een gekruisigden Christus, was hun een rots der ergernis.
Maar hadden niet de Profeten daarvan getuigd? "De rechtvaardige zal uit het geloof leven." "Een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden."

 

In hoofdstuk 10 zegt de Apostel, nadat hij het welbehagen van zijn hart voor zijn volk, en zijn gebed voor hen voor hun behoudenis had uitgesproken, dat IsraŽl Gods gerechtigheid niet kende. Het volk zocht zijn eigen gerechtigheid op te richten. Het had wel ijver voor God, maar niet met verstand. Hun onverstand bestond in het niet kennen van Gods gerechtigheid. Godsdienstig waren ze, maar niet onderworpen aan de gerechtigheid van God. Ze geloofden niet in Christus, die het einde is der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.
Helaas is dit nog altijd de toestand van de Joden. Maar wat volgen wij, geloovigen uit de Heidenen, weinig het voorbeeld van den Apostel, die zoo vurig bad voor IsraŽl! En toch - wij zijn zoo veel verschuldigd aan IsraŽl.

ln de verzen 5-13 wordt dan de gerechtigheid, die uit de wet is, gesteld tegenover de gerechtigheid, die uit het geloof is. Aan al de eischen der wet heeft Christus voldaan. De mensch heeft dus niets te doen dan te rusten in het volbrachte werk van Christus. Christus moet noch van den hemel worden afgebracht, noch uit de dooden opgebracht. Alles is door Hem vervuld en moet in dankbaarheid door het eloof worden aanvaard. Dit was het woord, dat de Apostel predikte: indien zij met hun mond Jezus als Heer zouden belijden en met hun hart zouden gelooven, dat God Hem uit de dooden had opgewekt, dan zouden zij behouden worden, want "met het hart gelooft men tot gerechtigheid, en met den mond belijdt men tot behoudenis." Het is alles zoo eenvoudig: behouden door genade, behouden niet door onszelf. Er is ook geen onderscheid. Dezelfde Heer van allen is rijk over allen, die Hem aanroepen. Tweemaal lezen we "een iegelijk". "Een iegelijk, die in Hem gelooft." "Een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen."

In de verzen 14-17 zegt de Apostel, dat deze blijde boodschap aan Joden en Heidenen overal moet worden verkondigd; naar het woord van den Heer Jezus in Lukas 24: "In Zijn naam moet gepredikt worden bekeering en vergeving van zonden onder al de volkeren, beginnende van Jeruzalem." Zooals voorzegd was in Jesaja 52 : 7 zou God Zijn vredeboden zenden, die het lieflijk Evangelie-woord overal verkondigen.
Het is alles van God: de gerechtigheid, de behoudenis, zoowel als de prediking ervan. Maar niet allen hebben het Evangelie gehoorzaamd. Ook dit was door Jesaja voorzegd, in hoofdstuk 53.

In de slotverzen van Romeinen tien wijst de Apostel dan op het ongeloof van IsraŽl. De volken zouden gelooven, maar IsraŽl zou door zijn ongeloof worden terzijde gesteld. (Vs 18-21.)

 

Nu komt in hoofdstuk 11 de Apostel tot de vraag: Heeft God dan Zijn volk verstooten? En hij roept het uit: "Dat zij verre". Niet allen uit IsraŽl hadden het heil verworpen. Paulus was er een bewijs van. Ook in Elia's tijd was er een overblijfsel geweest. En zoo is het ook in den tegenwoordigen tijd: een overblijfsel naar de verkiezing der genade. (Vs 5 en 6.)

Evenwel wordt in de verzen 7-10 aangetoond, dat het volk verhard, verblind was geworden. Maar het was slechts voor een tijd. Door hun val en misdaad was het heil tot de volken gekomen, met het doel IsraŽl tot jaloerschheid te verwekken.

In de verzen 11-15 wordt vervolgens gezegd, dat, waar hun verwerping de verzoening is der wereld, hun volheid, hun aanneming, het leven uit de dooden zou zijn.
De gelijkenis van de twee olijfboomen in de verzen 16-24 verklaart dit.

In de verzen 25-32 maakt Paulus dan de verborgenheid bekend aangaande IsraŽls verharding en IsraŽls herstel.
Om dan in de slotverzen (33-36) zich neer te buigen met een lofprijzing voor zijn God; en den rijkdom van Zijn kennis en wijsheid te aanbidden.

J. N. V.