KORT OVERZICHT VAN DEN BRIEF AAN DE ROMEINEN

 

Romeinen 1 - 8

 

De verdeeling van den brief aan de Romeinen is heel eenvoudig en vanzelfsprekend.

Het eerste deel bestaat uit acht hoofdstukken. Ze bevatten de heele leer van het Evangelie van God, waarin Gods kracht ligt tot behoudenis voor een iegelijk, die gelooft, eerst voor den Jood en ook voor den Griek.
Het tweede deel bestaat uit drie hoofdstukken en handelt over IsraŽl; over IsraŽls verkiezing, ongeloof en toekomst. (Hoofdst. 9-11.)
Het derde deel bevat vermaningen en groetenissen voor degenen, die in Christus gelooven. (Hoofdst. 12-16.) Die gerechtvaardigd en geheiligd zijn in Christus, op weg naar de heerlijkheid, moeten practisch de gerechtigheid van God openbaren, zooals die in het eerste en tweede deel in beginsel is geopenbaard jegens de wereld en IsraŽl.

 

Elk van de drie deelen eindigt met een jubelzang. Daarmede is vanzelfsprekend de verdeeling aangegeven.

Aan het slot van het eerste deel, van hoofdstuk 8, als het vraagstuk van de zonden, van de zonde en de wet behandeld is, en de Apostel gesproken heeft over de zevenvoudige werking van den Heiligen Geest, jubelt hij over het feit, dat God voor ons is; dat Christus ons heeft liefgehad tot den dood en nu leeft. En als hij dan de vraag doet: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus," eindigt hij met lof en dank te getuigen, dat niets, in hemel of op aarde, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heer.

Er is wel eens het beeld gebruikt van den leeuwerik, die stijgende en al hooger stijgende zijn lied uitjubelt, tot hij zich opeens weer op de aarde laat vallen, om dan weer opnieuw zingende te stijgen.
Iets dergelijks vinden we hier. De Apostel, in het eerste deel in zijn gedachten ten hemel gestegen jubelt het uit: onafscheidelijk zijn wij met den Vader en den Zoon verbonden door de verlossing!
Doch dan denkt de Apostel in het tweede deel aan IsraŽl, aan de verkiezing. Dan komen daar de raadselen en problemen, die we niet onder de knie kunnen krijgen. Maar wel kunnen ze ons op de knie brengen. En dat is dan ook het einde van hoofdstuk 11. Een doxologie; een lofzegging. Met grooten jubel roept de Apostel het uit: "Uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen." - De leeuwerik, op de aarde neergevallen, is weer gestegen, al hooger, en jubelt het uit!

Zůů is het ook aan het eind van het derde deel. In al de vermaningen, opwekkingen en groeten, stijgen zijn gedachten weer ten hemel, zůů ziet hij allťťn Hem, die de bewerker van al het heil is en die machtig is om te bevestigen: "den alleen wijzen God, door Jezus Christus. Wien de heerlijkheid zij tot in alle eeuwigheid! Amen."

Het groote onderwerp van den brief aan de Romeinen is het Evangelie van God, de Blijde Boodschap aangaande den weg van God, dien Hij in Zijn oneindige liefde voor den zondaar heeft gebaand.
In Galaten 1 : 12 zegt Paulus, dat het Evangelie, dat hij beschrijft, hem door openbaring was gegeven. Dus niet maar een theologisch systeem, wonderlijk uitgedacht, maar door God Zelf geopenbaard. Hij noemt het zoo eigenaardig telkens "mijn Evangelie." Rom. 2 : 16; 16 : 25; 2 Tim. 2 : 8.) Hij noemt het eenmaal "ons Evangelie," denkende aan zijn mede-arbeiders Silas en TimotheŁs. (2 Thess. 2 : 14.) Dezen brachten met hem het Evangelie op dezelfde wijze als hij. Hij noemt het het Evangelie van de heerlijkheid van Christus; (2 Tim. 4 : 4.) van de heerlijkheid des zaligen Gods. (1 Tim. 1 : 11.) Het is voor Paulus alsof het Evangelie een persoon is. Hij schrijft aan TimotheŁs, dat hij verdrukking moet lijden met het Evangelie. (2 Tim. 1 : 8.) Het Evangelie van God werkt wonderen, moet gehoorzaamd worden; heeft ook te lijden.

En Paulus schaamde zich het Evangelie niet. Hij bedoelt hier niet, dat hij voor het Evangelie durfde uitkomen, maar hij getuigde, dat hij wist, dat zij, die het aannamen, er goed mee zouden uitkomen. Neen, hij behoefde zich niet te schamen voor zijn "koopwaar." Het Evangelie bestond niet uit wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet zou verijdeld worden! (1 Kor. 1 : 18.)

Mijn Evangelie beteekent natuurlijk niet, dat Paulus een ander Evangelie predikte dan de anderen. Maar het wil zeggen, dat hij het niet van de apostelen, maar rechtstreeks van God had ontvangen, en dat de Heer hem vele waarheden persoonlijk had geopenbaard, die aan de andere apostelen niet bekend waren, en waarvan ze door Paulus kennis droegen. (Efeze 3, vooral vers 8, Kol. 1 en 2, vooral 1 : 25.) Paulus had den Zoon van God, den Heer der heerlijkheid, in den hemel gezien, gehoord ook dat woord: "wat vervolgt gij Mij?" - En zoo werd hij geroepen om het Evangelie van den verheerlijkten Heer in de gansche schepping te verkondigen, tegelijkertijd de waarheid in betrekking tot de Gemeente en haar eenheid met den verheerlijkten Heer. (Rom. 15 : 8 en 9, 16 en 19; Rom. 16 : 25; 1 Kor. 2 : 7-10.) Als Paulus spreekt over mijn Evangelie, is dat in den ruimsten zin bedoeld. Het Evangelie dus ook voor de geloovigen, niet alleen voor de wereld. Zijn brief aan de Romeinen is dan ook geen Evangelisatiegeschrift voor de wereld, maar een brief aan de geloovigen. (Rom. 1 : 11, 12 en 13; 15 : 4 en 32.)

 

Het eerste deel van den brief aan de Romeinen is weer verdeeld in onderdeelen. Dit eerste deel loopt tot en met hoofdstuk 5 : 11. Daarin wordt gezegd, dat de heele wereld strafschuldig is voor God; dat Jood en Heiden verloren zijn. Er is geen onderscheid. Maar Gods liefde is groot. Aan Gods gerechtigheid is voldaan door Christus en allen, die nu gelooven, gaan niet verloren, maar zijn om niet gerechtvaardigd door het geloof, door de genade, door het bloed. (Rom. 1 : 17; 3 : 22; 4 : 5.)

In het begin van hoofdstuk 5 wordt dan die groote waarheid van de rechtvaardiging op grond van het bloed, door het geloof, zoo heerlijk beschreven. En de opstanding van Christus is tot onze rechtvaardiging. De rechtvaardiging van den zondaar is de grondslag van het Evangelie van God.

Maar dan: als iemand van zijn zonden gereinigd is, van de zonden gerechtvaardigd voor God, heeft hij nog bevrijding noodig van de macht der zonde. Dit vinden we in hoofdstuk 5, van vers 12 af, en in hoofdstuk 6. De oude mensch is met Christus gekruisigd, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan zij, opdat wij niet meer der zonde zouden dienen. God ziet den geloovige niet langer in Adam, maar in Christus, en nu heeft deze de zekerheid, dat de zonde over hem niet heerschen zal. (Rom. 6 : 14.) Dit moet tot practisch gevolg hebben, dat hij zich voor de zonde dood houdt; dat hij de zonde over hem niet laat heerschen. (Rom. 6 : 11-13.)

In hoofdstuk 7 komt dan nog het vraagstuk van de wet. God zegt nu, dat de gerechtvaardigde geloovige in Christus, verlost van zijn zonden, met Hem gestorven en bevrijd van de macht der zonde, nu ůůk dood is aan de wet. (Rom. 7 : 4.) Wij zijn eens anderen geworden, om Gode vrucht te dragen!

En nu komt hoofdstuk acht.
Wat de wet niet vermocht, dat is mogelijk door de wet van den geest des levens. De Geest van God, en Zijn werk, wordt hier volmaakt geopenbaard, als een deel van het Evangelie. Door dien Geest weten wij kinderen van God te zijn, erfgenamen van God, reeds verheerlijkt te zijn en in de heerlijkheid te komen. Niets kan ons dan ook scheiden van de liefde van Christus, van de liefde van God, welke is in Christus Jezus onzen Heer!

J. N. V.