KORT OVERZICHT VAN DEN BRIEF AAN DE ROMEINEN

 

Inleiding

 

Paulus' brieven in het Nieuwe Testament zijn gerangschikt naar de geestelijke beteekenis ervan.
Naar tijdsorde (chronologisch) zijn de twee brieven aan de Thessalonikers het eerst door hem geschreven; een kleine twintig jaar na zijn bekeering, dus na zijn eerste en tweede zendingsreis, kort na de eerste prediking van het Evangelie in Europa.
Op zijn derde zendingsreis schreef hij in den loop van een drietal jaren den brief aan de GalatiŽrs, de twee brieven aan de KorinthiŽrs en tenslotte den brief aan de Romeinen.
Gedurende zijn gevangenschap in Rome, de eerste maal, schreef hij de brieven aan Filťmon, aan de Kolossers, EfeziŽrs en FilippiŽrs.
Na losgelaten te zijn, schreef hij den brief aan de HebreŽn, den eersten brief aan TimotheŁs en den brief aan Titus.
Gedurende zijn tweede gevangenschap, in de staatsgevangenis te Rome, schreef hij den tweeden brief aan TimotheŁs, waarschijnlijk kort vůůr zijn dood. (2 Tim. 4 : 5-8.)

Hoewel de brief aan de HebreŽn geen schrijver vermeldt, mogen wij met de Christelijke Kerk aannemen, dat deze brief door Paulus is geschreven. Dit blijkt onzes inziens niet alleen uit den inhoud, uit de groetenissen aan het slot, maar ook uit Petrus' opmerking in zijn tweeden brief, hoofdstuk 3 : 15.
Daar toch zegt Petrus, dat de geliefde broeder Paulus heeft geschreven aan de "vreemdelingen der verstrooiing", en we hebben geen anderen brief van Paulus aan de geloovigen uit IsraŽl dan de brief aan de HebreŽn. (2 Petr. 3 : 16.)

In het geheel hebben we veertien brieven van Paulus in het Nieuwe Testament, waarvan negen gericht aan verschillende gemeenten, vier aan bijzondere personen en ťťn aan de geloovigen uit IsraŽl.

 

De Gemeente, de Christelijke Kerk, heeft, klaarblijkelijk onder de leiding van den Heiligen Geest, aan al deze brieven een geestelijke volgorde gegeven.
Eerst de negen gemeentelijke brieven.
Daarvan vormt de brief aan de EfeziŽrs het middelpunt. Dit is zeer merkwaardig, omdat in dezen brief het hoogste standpunt wordt beschreven, waarop de geloovige in Christus door Gods genade is geplaatst.
De brief aan de Romeinen, waarin Paulus, als grondslag voor de geheele Christelijke waarheid, de leer des heils ontwikkelt, is de eerste in de rij. Dan volgen de twee brieven aan de KorinthiŽrs, waarin hij behandelt de inrichting, de orde en de tucht in de Gemeente. Vervolgens vinden we in den brief aan de Galaten Paulus' verdediging van de Christelijke heilswaarheid - zooals breedvoerig ontwikkeld in den brief aan de Romeinen - tegenover de valsche leer van de Joodschgezinde leeraars. Daarop beschrijft hij in den brief aan de EfeziŽrs het hemelsch standpunt, het hemelsch karakter en de hemelsche roeping der Gemeente.
Daarna volgt in den brief aan de FilippiŽrs de voorstelling van den hemelschen wandel van den Christen. In dien aan de Kolossers geeft Paulus een beschrijving van de grootheid en heerlijkheid van Christus, die als de hoop der heerlijkheid in de geloovigen woont, opdat zij, van alle menschelijke instellingen en leeringen bevrijd, zoeken en bedenken zouden de dingen, die boven zijn, waar Christus is. En ten slotte schrijft Paulus in zijn brieven aan de Thessalonikers over de wederkomst des Heeren, zoowel voor de Gemeente als voor de wereld.

Dan volgen de vier persoonlijke brieven.
In den eersten brief aan TimotheŁs stelt Paulus ons de ware orde in de Gemeente voor in haar normalen toestand. In den tweeden brief aan TimotheŁs wijst hij den weg des geloofs aan, als de Gemeente in een abnormalen toestand verkeert. In den brief aan Titus geeft hij, wat wij zouden kunnen noemen een schets van de Christelijke leer voor het practisch Christelijk leven. En de brief aan Filťmon toont ons het hart van den Apostel: in de kleine dingen van het dagelijksch leven handelt Paulus in den geest van genade.
Daarna komt dan de brief aan de HebreŽn, waarin klaar en duidelijk wordt aangetoond, hoe door het Christendom een einde is gemaakt aan de bedeeling der wet, der schaduwen; en hoe al de instellingen en offeranden van het Oude Verbond hun heerlijke vervulling hebben gevonden in Christus, die voor ons als de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs in de heerlijkheid is ingegaan, waar ook wij zullen ingaan, om Zijn heerlijkheid te deelen.

De veertien brieven beginnen dus met het "Evangelie van God," en eindigen met: "Wij zien Jezus."

 

Zoo zijn we dan gekomen tot den brief aan de Romeinen, waarvan we nu willen trachten een kort overzicht te geven.

 

De schrijver, Paulus, zegt, dat hij een slaaf is van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God.
Als Saulus - een Joodsche naam, die: "geŽischte" beteekent - werd hij door God staande gehouden, opgeŽischt tot Zijn dienst. (Hand. 9 : 15; 22 : 10, 14 en 15; 26 : 16-18.)
Hij nam den Griekschen naam Paulus aan, zeker om bij de Grieken beteren ingang te vinden, en omdat zijn nederig hart (Paulus beteekent "de kleine") tot uiting moest komen in zijn naam.

 

Het Evangelie van God was beloofd in heilige Schriften. (Rom. 1 : 2.) Er staat hier niet: in de heilige Schriften, maar, in het algemeen, in heilige Schriften. Want de Apostel schreef aan Christenen uit de heidenen, uit de volken. (Rom. 16 : 16.)
Dit Evangelie had tot middelpunt Jezus Christus, Gods Zoon, waarlijk mensch, en door de opstanding verklaard als Gods Zoon in kracht. (Rom. 1 : 4.)
Het doel was: al de volken te brengen tot gehoorzaamheid des geloofs. (Rom. 1 : 5, 16 : 26.)

In Rome was een gemeente ontstaan, waarschijnlijk door Joodsche geloovigen, die er het Evangelie hadden gebracht. Paulus had gehoord, dat 't zuurdeeg van de Joodsche leeraars ook daar ingang had gevonden. Romeinen 16 : 17-18. Hij beantwoordt dan ook verschillende vragen, bij voorbeeld hoofdst. 2 : 21-23; 3 : 1, 27, en 31; 4 : l; 6 : 1 en 15; 7 : 7; vragen die ontstonden door de leeringen van de JudaÔsten.
De Joodsche Christenen waren evenwel in Rome in de minderheid. Hij schreef dan ook voor de Christenen uit de heidenen.

Paulus bevond zich in Korinthe, in het huis van Gajus, een Christen in goeden doen, die door hem was gedoopt. (Rom. 16 : 23; 1 Kor. 1 : 14.) Zijn particuliere secretaris was Tertius. (Rom. 16 : 22.)
Toen Paulus dezen brief schreef, was hij op weg naar Jeruzalem, Handelingen 20 : 3, met een groot verlangen in het hart, om, na te Jeruzalem geweest te zijn, ook Rome te zien. Hij spreekt hiervan in dezen brief. (Romeinen 15 : 23-25; 1 : 10 en 11.)

Maar hij is niet als de groote Apostel in Rome gekomen. Eerst later kwam hij er als een gevangene. Dit was Gods leiding. Toch heeft hij onderweg al broeders uit Rome ontmoet, door hen moed gevat, (Hand. 28 : 15.) en hen in zijn eigen gehuurde woning, als een gevangen man, persoonlijk ontvangen en gediend.

Te voren echter gaf God hem het groote voorrecht, met een brief in de Gemeente te Rome te komen, - met een geheel eenigen brief, met een beschouwing over het Evangelie. De directe aanleiding was, dat een Grieksche zuster uit de havenstad van Korinthe, die daar de Gemeente diende, Fťbť, naar Rome reisde, zoodat Paulus haar een brief kon meegeven. (Rom. 16 : 1 en 2.)

 

J. N. V.