OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 36

 

We vinden in het begin van dezen Psalm den dichter bedroefd. Niet in de eerste plaats om hetgeen hijzelf te lijden heeft, maar om den toestand zijner medemenschen, die God niet kennen, ja nog meer: die geheel met God hebben afgedaan. Hun openbaring geeft hem de overtuiging in zijn hart, dat er geen ontzag, geen vreeze Gods voor hun oogen is. Hij heeft geen hoop meer voor hen. Gewetenloos gaan zij daarheen, terwijl al wat hatelijk is bij hen gevonden wordt. Onrecht en bedrog is er bij hen; het kwaad verwerpen zij niet; en dit alles doen zij zonder zich ook maar eenigszins om God te bekommeren.

David, de knecht des Heeren, is hier bedroefd over. Welk een schoone gezindheid des harten spreekt hieruit! Mocht ze bij ons meer worden gevonden! Niet in de eerste plaats moet ons tot droefheid stemmen het onrecht, dat ons wordt aangedaan, maar de toestand van hen, die dit alles veroorzaken. Was het niet zoo met onzen Heer? Hij was bedroefd over de verharding des harten van Zijn vijanden.

Wanneer wij in onzen tijd denken aan volken en personen, wier toestand wij hier zoo juist geteekend vinden, moesten wij dan drover niet meer bedroefd zijn dan over het leed, dat zij veroorzaken voor Gods kinderen? Zeker, dat laatste doet ons tot den Heer roepen, maar laat ons ook de godloozen zelf niet vergeten. Wat zal het wezen, als zij eenmaal zullen vallen en worden nedergestooten, zoodat zij niet weder kunnen opstaan, gelijk in vers 13 hun einde ons wordt voorgesteld. Moge de Heer Zich nog over velen ontfermen!

David kent hier echter niet alleen droefheid; ook blijdschap is zijn deel. Wanneer hij zijn blik van den vijand richt op den Heer, is zijn ziel met vreugde vervuld. Is het bij den mensch alles donker, bij den Heer is alles licht.

"Uwe goedertierenheid, o Heere! is tot in de hemelen, Uwe waarheid tot de bovenste wolken," roept hij uit. Welk een troost, en oorzaak van blijdschap en dank! De Heer heeft Zijn lust, Zijn behagen in goeddoen. De bron dier goedheid is: het hart van God Zelf. Laat dan de boosheid van het hart van den mensch zich openbaren in vijandschap, het kan nooit bereiken de hoogte van de goedertierenheid des Heeren. Welk een troost voor allen, die in verdrukking zijn om 's Heeren wil! Ze moeten misschien veel lijden, maar de goedheid des Heeren zal van hen niet wijken; die ligt vast in het hart van God.

Gods waarheid is tot de bovenste wolken. Mogen we hier de waarheid niet nemen in den zin van Gods trouw? Het geloof kan op Hem rekenen. Zijn trouw wankelt niet, en kan, zoo min als Zijn goedheid, door den vijand worden aangetast. De gerechtigheid Gods is onomstootelijk als de bergen. Ook dit is een troost voor het geloovig hart. Niet alleen Zijn goedheid en trouw zijn onwankelbaar, maar ook Zijn recht is vast als de bergen. Naar dit recht handelt Hij in goedheid en trouw met de Zijnen, en zal ze door alle moeite en beproeving heen tot Zich nemen in heerlijkheid. En naar dat recht zal Hij handelen met de godloozen, en voor hen zullen Zijn oordeelen een groote afgrond zijn. Laat ons altijd, of het Gods bestuur of Zijn wegen betreft, op het einde letten!

Met zulk een God heeft al wat leeft te doen. Alle schepselen, menschen en beesten, zijn in Zijn hand.

Dit te gelooven doet de ziel dan ook uitroepen: "Hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid, o God!" Mochten wij ons mr in die goedheid des Heeren verlustigen! We hebben niets verdiend, alles is genade, en al wat God ons geeft en geven kan, is alleen de vrucht van het werk van Christus.

Bij dien wonderbaren God nu heeft het geloof een toevluchtsoord: of het de vijandschap der menschen, of de omstandigheden van het leven betreft, het is veilig in de schaduw van 's Heeren vleugelen. Dr is veiligheid, dr is rust. Is er iets liefelijkers dan de kiekens; onder de vleugelen der hen vergaderd te zien? Heeft ook de Heer Jezus dit aantrekkelijk beeld niet gebruikt, als Hij aan de inwoners van Jeruzalem denkt?

In vers 9 worden we bepaald bij het huis Gods, Zijn woning, waar Hijzelf vertoeft. Dat huis is gekenmerkt door vettigheid en overvloed, maar het belangrijkste voor de ziel is wel, dat de Heer Zelf daar is. De verloren zoon in Lukas 15 had gesproken over den overvloed van brood, die in het huis van zijn vader was, maar toen hij eenmaal daar was, waren de armen en het hart van zijn vader, de gemeenschap met den vader, veel meer dan het brood. - Is het k niet zoo met ons? God heeft ons tot Zijn kinderen gemaakt, en daardoor hebben we plaats in Zijn huis, nu door het geloof en straks in werkelijkheid. We mogen nu reeds, en straks volmaakt, de vettigheid van het huis des Vaders genieten. We kunnen zeggen: "Mijn beker is overvloeiende," maar de gemeenschap met den Vader Zelf overtreft alles. "Gij drenkt mij uit de beek Uwer wellusten." Veiligheid en rust onder des Heeren vleugelen mogen kostelijk zijn, de vettigheid van Zijn huis mag onzen beker doen overvloeien, maar bij Hemzelf te zijn, in Zijn nabijheid, Zijn stem te hooren, in Zijn oog te blikken, is zeker het allergrootste.

Maar knnen we door het geloof die gemeenschap met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus? Dat zal zoo zijn, als we in het licht wandelen, in het licht van Gods huis. (1 Joh. 1.) Wanneer een geloovige, ik zeg niet wereldsch-, maar aardschgezind is, kan hij moeilijk de dingen van het huis Gods genieten of de gemeenschap met den Vader smaken. En toch, welk een genade is het, een leven te hebben ontvangen, waardoor we bekwaam zijn, in het huis des Heeren te verkeeren!

Over dat leven nu spreekt de Psalmist als hij zegt: "Bij U is de fontein des levens." En wij mogen er wel bijvoegen: "God Zelf is de bron." Dit is ook in den ouden dag zoo geweest. Maar bij de vleeschwording des Woords is het pas ten volle geopenbaard. In Joh. 1 wordt ons dit duidelijk voorgesteld. Het Woord was bij God en het Woord was God, hetwelk is Christus. In hetzelve, of in Hem, was het leven.

Ziedaar de Goddelijke bron van leven. Dat leven is het deel van een iegelijk, die in Hem gelooft. Niet door de vervulling der wet, maar door het geloof ontvangt de ziel uit genade het eeuwige leven. "uit genade zijt gij zalig geworden. Uit het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave." Want God, die de Bron van alle leven is, heeft Zich in Christus als zoodanig volkomen geopenbaard.

Maar dn hooren wij: "In Uw licht zien wij het licht." In het Woord, dat is in Christus, was het leven, en het leven was het licht der menschen. Elk mensch, toen en nu, die door het Woord of door de prediking in aanraking met Christus komt, wordt door Zijn licht bestraald en openbaar. In het algemeen hebben de menschen de duisternis liever dan het licht, maar zij, die zich door het licht laten oordeelen, worden kinderen des lichts en zelf licht in den Heer.

leder geloovige nu, die als kind des lichts in dit licht wandelt, ziet ook het licht. "In Uw licht zien wij het licht." Misschien mogen wij zeggen: Wij hebben in Zijn licht het licht, dat we noodig hebben voor den wandel in een duistere wereld. Wie in het licht wandelt, stoot zich niet.

Geve de Heer ons allen genade, niet alleen het leven te hebben in Hem, maar ook te leven door Hem; niet alleen licht te zijn in den Heer, maar in het licht te wandelen als kinderen des lichts, opdat we den weg mogen weten, dien wij te gaan hebben tot Zijn eer.

Aan het slot van zijn overdenking spreekt David de behoefte zijns harten uit, dat de goedertierenheid des Heeren uitgestrekt zal zijn over allen, die Hem kennen, en Zijn gerechtigheid over de oprechten van hart, terwijl hij wenscht bewaard te blijven voor den voet der hoovaardigen en de hand der goddeloozen. Stemmen we dan met deze bede in, en laat ons steunen op de goedertierenheid des Heeren, dierbaar voor het hart!

 

Uw goedheid, Heer, is hemelhoog;
Uw waarheid tot den wolkenboog;
Uw recht is als Gods bergen;
Uw oordeel grond'loos, Gij behoedt
En zegent mensch en beest, en doet
Uw hulp nooit vrucht'loos vergen.
Hoe groot is Uw goedgunstigheid!
Hoe zijn Uw armen uitgebreid!
Hier wordt de rust gevonden.
Hier 't vette van Uw huis gesmaakt,
Een volle beek van wellust maakt
Hier elk in liefde dronken.

 

J. A. V.