OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 15

 

Wanneer de vraag gesteld wordt in welk een gezindheid en in welk een toestand iemand zijn moet om te kunnen verkeeren in de onmiddellijke tegenwoordigheid des Heeren, dan kunnen geen mindere eischen gesteld worden, dan in dezen korten Psalm aangegeven zijn. De heilige en rechtvaardige God, die te rein is van oogen, dan dat Hij het kwaad zou kunnen aanschouwen, kan, geen lageren maatstaf aanleggen, dan we hier vinden.

Maar wanneer we dan den toestand van den mensch zooals we dien in den vorigen Psalm beschreven vinden, in onze gedachten terugroepen, is het hopeloos. Wie kan aan de eischen van Psalm 15 voldoen?

En dan wordt hier nog maar alleen gesproken over de houding van den mensch tegenover zijn naaste; er is niet eens sprake over onze gedachten en verborgen zonden tegenover God! Kan er dan iemand verkeeren in de tegenwoordigheid des Heeren?

Met Petrus mogen we wel de vraag stellen: "Wie kan dŠn zalig worden?" Maar we danken den Heer voor Zijn antwoord: "Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God." Gelukkig, dat er een andere weg is om behouden te worden, dan de gerechtigheid van den mensch! In Christus is de weg. De gerechtigheid Gods in Christus is het deel van een iegelijk, die in Jezus gelooft. Niet uit werken, maar uit genade worden we zalig.

Toch moet er ook een practische gerechtigheid bij ons gevonden worden. "Het fijn lijnwaad," waarmede de Vrouw des Lams bekleed is, "zijn de gerechtigheden - de rechtvaardige daden - der heiligen," zegt een stem in de Openbaring.

Er is voor ons, geloovigen, een verkeeren in 's Heeren tent, een wonen op den berg Zijner heiligheid. Dat is het practische gemeenschapsleven met den Heer. Over dat gemeenschapsleven spreekt de Apostel Johannes in zijn eersten brief. Om het genot dier gemeenschap te kunnen genieten, moet de geloovige in het licht wandelen. (1 Joh. 1 : 7.) Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met den Heer hebben, en wij wandelen in de duisternis, zoo liegen wij, en doen de waarheid niet. Deze maatstaf is vooral niet lager dan in onzen Psalm. Want al is het waar, dat wij in een andere bedeeling leven, de Heer is Dezelfde en ons standpunt is hooger dan van de geloovige IsraŽlieten. Ook nu nog kan een geloovige, wiens wandel niet goed is, niet spreken van daadwerkelijke gemeenschap met den Heer. - Maar kunnen we dan ooit, waarlijk gelukkig zijn? De gemeenschap met den Heer kan toch verbroken worden, en is dit helaas niet soms het geval?

Heerlijk heeft ook hierin de genade voorzien. We hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus; en Hij is de Rechtvaardige. Zijn Persoon en werk voorziet ook hierin. Op grond van hetgeen Hij is en deed, kan bij elke afdwaling, na belijdenis, de gemeenschap worden hersteld, en is de toegang tot den berg des Heeren weer open. "Indien iemand gezondigd heeft wij hebben een Voorspraak bij den Vader."

Er is echter ook een gemeenschapsoefening der geloovigen samen. En die heeft plaats aan den disch des Heeren. Dan klimmen zij te zamen op den berg van Gods heiligheid. Maar ook dan moet er niets zijn in de harten, dat het genot dier gemeenschap verhinderen kan. Daarom zegt de Apostel in 1 Kor. 11 : 28: "Maar de mensch beproeve zichzelf, en ete alzoo van het brood en drinke van den drinkbeker." Geve de Heer, dat die zelfbeproeving bij ons moge gevonden worden, opdat we vrijmoedigheid hebben in het heiligdom in te gaan met oprechte harten, in de volle verzekerdheid des geloofs! (Hebr. 10 : 22.)

Het verkeeren in de tent des Heeren, het wonen op den berg des Heeren, is een heerlijk voorrecht, maar om het te kunnen doen, moet er ťn persoonlijk, Ťn gemeenschappelijk niets in den weg staan!

Laat ons nog even stilstaan bij het volk IsraŽls. We hebben reeds vroeger opgemerkt, dat de beginselen Gods, naar Zijn regeering, zoo zijn, dat de rechtvaardige gezegend wordt en de goddelooze gestraft. In IsraŽls geschiedenis in het verleden zien we dat telkens. In tijden van godvreezende koningen ging het met het volk goed, in 't tegenovergestelde geval slecht.

Zůů nu zal het ook zijn in de toekomst voor de Joden. Zij, die zich straks tot God zullen bekeeren, zich zullen afkeeren van de ongerechtigheid en in oprechtheid des harten betrachten wat in Psalm 15 staat, - zij het dan ook in zwakheid en onvolkomenheid, - zullen wel door veel verdrukking en lijden gaan, maar toch door den Heer worden ondersteund, en niet wankelen in eeuwigheid! Zij zullen het getuigenis zijn, in dien tijd, voor den Naam des Heeren, en door de groote verdrukking heen den dag der verlossing aanschouwen, en ingaan in het Koninkrijk van hun Koning en Messias!

J. A. V.