NAAR DEN OVERVLOED

Mattheüs 13 : 12

 

Onze God wil ons overvloed schenken; Hij vindt daarin Zijn vreugde! Hij heeft het zoo duidelijk getoond, toen de geschiedenis van den mensch een aanvang nam. De eerste bladzijden van onzen Bijbel vertellen ervan. Paradijsweelde en Paradijsvreugde werden Adams deel. Vrijelijk kon hij eten van allen boom in den hof. De mensch kende zijn Schepper aan den wind des daags, en was gelukkig in Zijn tegenwoordigheid. Kon God den mensch - man en vrouw in reine liefde vereenigd - méér schenken onder den hemel, dan Hij deed? Hij openbaarde Zich aan Zijn schepsel als den God van den overvloed!

 

De Zoon van God, op aarde wandelende in het midden van Zijn volk, heeft gesproken over den weg naar den overvloed en het zal goed zijn te luisteren naar wat Hij - de Waarheid - daarover te zeggen had. De discipelen van Jezus smaakten het voorrecht, deze Woorden te hooren. Merkwaardig is de aanleiding tot het uitspreken van deze belangrijke gedachte. De Meester had Zich tot de scharen gewend met de schoone gelijkenis van den zaaier, en Hij was geëindigd met het ernstige woord: "Wie ooren heeft om te hooren, die hoore." En daarop hebben de discipelen de vraag gesteld: "Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?"

Op deze vraag heeft Jezus een uitvoerig antwoord gegeven, waarvan het begin was: "Het is u gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten." Deze verborgenheden waren niet voor allen. Niet voor hen, die de oogen sloten en de ooren stopten om maar niet te zien en niet te hooren. Niet voor hen, die vér van God bleven. hoewel de Messias - Immanuël - heel dicht bij hen gekomen was. Die zóó deden, stonden "buiten," en voor hen, die buiten waren, waren de familiegeheimen niet gegeven! Ze hadden er trouwens ook geen behoefte aan! Zij hádden alles, ze hadden de wet, die ze intusschen krachteloos maakten door de overleveringen die ze er naast bezaten. Ze hadden hun godsdienst, hoewel het een ledige schaal was; ze hadden de gedaante van godzaligheid, maar de kracht ervan verloochenden ze. In hun zelfgenoegzaamheid en welverzekerdheid waren ze arm! Wat ze "hadden," zouden ze verliezen, want het zou hun ontnomen worden. Meenende alles te bezitten, bezaten ze in waarheid niets, en dat wat ze bezaten, zou verloren gaan!

Met de discipelen was het zoo heel anders; zij waren "arm van geest," en hun werden de verborgenheden ontsluierd. "Welgelukzalig uwe oogen en uwe ooren!" heeft de Meester tot hen gezegd. Voor hén was dan nu ook bestemd dat schoone woord: "Wie heeft, dien zal gegeven worden. en hij zal overvloediglijk hebben." Zij werden geleid naar den overvloed!

 

Wie heeft!

Naar de leeringen van al de Profeten en van den Meester-Zelf beteekent dit woord: wie door de Goddelijke genade ontvángen heeft. Want wat bezitten wij, wat wij niet ontvángen hebben? Deze zelfde vraag stelt ook de Apostel aan de geloovigen te Korinthe, die zoo overvloedig ontvangen hadden. Hun ontbrak het aan niets, maar ze pronkten ermede, en daarom is Paulus genoodzaakt, ze er aan te herinneren, dat alles ontvangen was. (1 Korinthe 4 : 7.) Hoe zouden wij iets bezitten, wat ons niet eerst geschónken werd! Neem wat ge wilt: uw levenstijd, levenskracht, levensvreugde, uw hoop, of wat het ook wezen moge, het is alles van God, van Wien de goede gaven en volmaakte giften nederdalen.

Hébben we ontvangen? Inderdaad ontvángen. wat de genade van God bereid heeft, en waarover de Apostelen geschreven hebben? Indien we ontvángen hebben, hebben willen aannemen, dankbaar geloovende, dan hébben we, en behooren we tot hen van wie de Heiland eens zeide: "Wie heeft."

Herinneren we ons het schoone woord uit het Evangelie van Johannes: "Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven." Of dat van Petrus over "de erfenis, die in de hemelen bewaard wordt." Of dat, van Paulus: "In Wien wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden."

Wie heeft, dien zal gegeven worden!

Indien we door het geloof bezitten, wat God, ons heeft bereid, dan zijn we op den weg naar den overvloed, want "dien wordt gegeven." en hij zal "overvloediglijk" hebben! Reeds nu, in dit leven. Want het leven met God, is rijk! De Heilige Geest, neemt het uit den verheerlijkten Christus en Hij verkondigt het aan Diens discipelen op aarde. En zoo wordt hun bezit steeds vermeerderd!

Maar er is óók nog een erfenis der heiligen in het licht. Wel ligt er een verlaten Paradijs achter ons, doch een hemelsch Paradijs ligt vóór ons! En dáár is de volkomenheid, de volle verzadiging, de overvloed! Voor die eeuwige gelukzaligheid heeft God aan Zijn kinderen de vaste hoop geschonken. De hoop beschaamt niet! We hebben Gods onderpand! Meer kan God aan Zijn kinderen niet schenken; - Hij is waarlijk de God van den overvloed!

 

J.T.