OVERVLOEDIG LEVEN

 

Bij den Goeden Herder vindt men alles wat de ziel noodig heeft. Niet alleen het leven, maar ook overvloedig leven.

In het tiende hoofdstuk van het Evangelie van Johannes wordt met enkele woorden uit den mond van den Heer Jezus Zelf deze waarheid ontwikkeld: "Ik ben gekomen, opdat zij (Mijn schapen) het leven hebben, en het overvloedig hebben."

 

Leven in overvloed.

Dat is dus de gedachte waarmede wij ons hebben bezig te houden. Een gedachte van het grootste gewicht in betrekking tot het levend contact met Christus. Want om met Christus in levende verbinding te komen, moeten we van Hem het leven ontvangen, en om met Christus in levende verbinding te blijven. moet Hij ons het overvloedig leven schenken.

En dit laatste kan alleen, als er groei is in ons geestelijk leven. Indien iemand door de deur (d.i. Christus) ingaat, zal hij behouden worden: maar grazige weiden zal hij alleen vinden, wanneer hij ingaat en uitgaat, dat wil zeggen: wanneer hij in voortdurende gemeenschap met den Goeden Herder zijn weg gaat.

Laat ons dan nagaan, wat het overvloedig leven is, waarover de Heer spreekt, en daartoe eerst den nadruk leggen op leven en dan op overvloed.

 

"Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben."

Het leven wordt dus gegeven door den Zoon van God, die op aarde gekomen is, om Zijn eigen leven te stellen voor Zijn schapen. Het leven stellen wil zeggen: het leven afleggen.

 

De Heer Jezus kwam allereerst voor de schapen van het huis van Isral. Die bevonden zich in den stal, maar moesten uit dien stal worden uitgeleid, omdat Isral niets van den Heer Jezus wilde weten. In de eerste zes verzen van Johannes 10 wordt over dezen stal gesproken. De Heer Jezus ging langs den rechtmatigen weg in den stal. Als de Herder der schapen ging Hij door de deur, en de deurwachter deed Hem open. Maar Hij ging er niet in om er te blijven. Hij riep Zijn eigen schapen bij name en leidde hen uit. Sommigen luisterden niet dadelijk, maar dan drf Hij ze uit, en ging voor hen heen, en Zijn schapen volgden Hem, omdat zij Zijn stem kenden.

Een treffende illustratie daarvan vinden we in Johannes 9. De blindgeboren bedelaar werd opgezocht door den Goeden Herder want Hij was een verloren schaap, dat moest gevonden worden. Hij kreeg eerst het licht zijner natuurlijke oogen, en daarna langzamerhand geestelijk licht, zoodat hij Hem ging zien als een profeet, als den Christus, als een van God Gezondene zoodat hij met gloed ging getuigen tegenover de Farizen van Hem, die hem had gezond gemaakt, en Dien hij had liefgekregen. En als hij dan uit de synagoge wordt geworpen, en Jezus, die hem opzocht, hem de vraag stelt: "Gelooft gij in den Zoon van God?" dan roept hij het uit, als de Heer Zich aan hem geopenbaard heeft: "Ik geloof, Heer!" En hij aanbad Hem. Zoo ontving deze blindgeborene door het geloof het leven.

De gelijkenis in het begin van Johannes 10 sluit zich daarbij aan. Het is meer beeldspraak dan gelijkenis. De Heer Jezus heeft er mee willen zeggen: "De schapen, die uit den stal van Isral worden uitgeworpen, komen naar Mij toe. Ik heb ze geroepen en ze hebben Mijn stem gehoord. Ik heb ze, door hetgeen Ik aan hen gedaan heb, uit den stal gedreven en nu volgen zij Mij. Ik heb ze gezocht, en nu hebben ze Mij gevonden. Alleen die door Mij ingaat (door de deur), die wordt behouden." En daarop sluit dan rechtstreeks aan de leering, die de Heer Jezus over Zichzelf geeft als de Deur en de Goede Herder.

Velen willen door andere deuren ingaan. Velen komen tot vlak vr de deur, maar gaan er niet in. Jezus zeide: "Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Ik ben de Deur der schapen Ik ben de Goede Herder, die Zijn leven stelt voor de schapen." En toen noemde de Heer Jezus drie dingen, die van zoo groote beteekenis zijn, en die we door de drie volgende woorden zouden kunnen kenmerken: veiligheid, vrijheid, verzorging. Veiligheid - want die door de deur ingaat, die zal behouden worden; achter het bloed is er bescherming voor het oordeel, en het eeuwig leven door het geloof ons deel. Vrijheid - want die door de deur ingaat, zal ingaan en uitgaan en dus gemeenschap hebben met den Goeden Herder in den hemel; in Christus, die onze vrede is, en die Zich thans in de heerlijkheid bevindt, is onze wandel in de hemelen en zoeken en bedenken wij de dingen die boven zijn. Verzorging want die door de deur ingaat, vindt weide; zij worden gevoed door het overjarig koren van het beloofde land, en vinden op deze aarde, die op geestelijk gebied voor ons dor is, het hemelsch manna.

Dit alles ontvangen we dus door het geloof in den Zoon van God. "Een iegelijk, die in Hem gelooft, komt niet in het oordeel, maar heeft het eeuwige leven." "Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven." Het is zoo eenvoudig: We kunnen het leven niet ontvangen door onze werken, door onze inspanning: het gaat geheel buiten ons om: we krijgen het door den Zoon, die voor ons het leven verwierf. Maar op n voorwaarde: dat wij alle zelf-werken laten varen, en den Zoon danken voor hetgeen Hij voor ons heeft tot stand gebracht.

Persoonlijk heb ik jaren lang mijn best gedaan, vrede te krijgen door eigen inspanning. Maar hoe ik naar den vrede haakte en hoe ik er mijn best voor deed, ik kwam niet verder. Totdat iemand mij den weg wees: Wij moeten zelf den vrede niet maken, maar de vrede is gemaakt op het kruis: en deze wordt ons deel, wanneer wij in het geloof aannemen, wat God Ons om niet aanbiedt; het is volbracht! Aan den voet van het kruis, waar ik met mijn schuld en mijn belijdenis ben gekomen, zag ik mijn Plaatsvervanger en Zondenverdelger. En toen bad ik niet langer om behoudenis, maar ik dankte God voor de verlossing, die ik gevonden had in Christus Jezus! - Hoe velen blijven ongelukkig door hun redeneeren, door hun zelf willen doen wat God in Christus gedaan heeft! God wil, dat wij Hem op Zijn woord gelooven.

Allen nu, die in Jezus gelooven, behooren tot de ne kudde, die n Herder heeft. Allen uit Isral, en allen uit de volken. Daarom spreekt de Heer Jezus over andere schapen, die niet van den stal (van Isral) zijn. En de Heer wilde de Zijnen niet meer in den stal hebben, maar tot een kudde vormen. Geen sprake meer van een omtuining, van een omheining, maar van een kudde, die in vrijheid leeft en zich in vrijheid beweegt, achter den Herder aan en om den Herder heen.

 

En daarmede zijn we vanzelf gekomen tot die tweede gedachte, dat: die in Jezus gelooven, niet alleen het leven hebben, maar het ook overvloedig hebben.

"Ik ben gekomen opdat zij het leven overvloedig hebben."

Ook dit overvloedig leven wordt dus aan ons gegeven door den Zoon, die voor ons op deze aarde is neergedaald. Neen, de Heer wilde ons niet een leven geven, dat eigenlijk geen leven genoemd kan worden. Het was Zijn lust, ons een meer dan overvloedig leven te geven. En daartoe schonk Hij ons de belofte des Vaders, den Heiligen Geest.

De Heilige Geest wordt ons voorgesteld als het levende water, dat stroomt uit de geslagen Rots, Christus. De Heer Jezus heeft gezegd: "Zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke! Die in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt: Stroomen van levend water zullen uit zijn buik vloeien." En Johannes voegt er dan bij: "Dit nu zeide Jezus aangaande den Geest, dien ontvangen zouden, die in Hem gelooven; want de Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was." De Heer Jezus heeft, toen Hij aan Gods rechterhand gezeten was, toen Hij dus verheerlijkt was, den Heiligen Geest gezonden naar deze aarde, opdat Hij wonen zou in een ieder, die in Hem zou gelooven. Door dien Geest zou het leven geen armelijk, maar een rijk leven zijn, een leven in Pinkstervolheid.

Het is dus volstrekt niet z, dat we dit overvloedig leven ontvangen, als we eenigszins gevorderd zijn op den weg des levens. Neen, God geeft het ons dadelijk door den Geest. Tot de Efezirs zegt Paulus: "Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met den Heiligen Geest." En tot de Galaten: "Hebt gij den Geest ontvangen op grond van de werken der wet of op grond van de prediking des geloofs?" "En Hij, die u den Geest verleent en krachten onder u werkt, doet Hij dat op grond van de werken der wet of op grond van de prediking des geloofs?" Door het geloof hebben wij dus het leven, het overvloedig leven.

Er zijn in dit opzicht zoo vele dwaalbegrippen. Zeker is het waar, dat de Apostel Paulus ons vermaant, met den Geest vervuld te zijn. Maar hij zegt niet: "Wordt vervuld," doch: "Weest vervuld." Wij moeten dus niet trachten, den Geest te ontvangen, met Hem vervuld te worden; maar we hebben den Geest ontvangen, en moeten nu met dien Geest vervuld wezen. Alles wat dien Geest verhinderen kan, om vrijelijk in ons te werken, om Zijn plaats ten volle bij ons in te nemen, moet door ons worden geoordeeld. We moeten niet tegen Hem zondigen, Hem niet bedroeven. We moeten den Geest toelaten om het leven, dat we ontvangen hebben, naar buiten te toonen. - De blindgeborene ontving het leven en openbaarde dit door zijn aanbidding.

Er zijn drie dingen, waarin het overvloedig leven zich openbaart. Ten eerste in dankbaarheid voor het ontvangene. Ten tweede in het doorgeven van het ontvangene. Ten derde in geestelijken groei. En dat ltste vooral is zoo belangrijk. Als we niet opwassen in het geestelijk leven, hapert er iets aan onze geestelijke gezondheid. Het is hiermede juist zoo als in het natuurlijke leven.

Het eeuwige leven is een kracht, die doorwerkt. Van het Evangelie wordt gesproken als van een kracht Gods tot behoudenis voor een iegelijk, die gelooft. En Paulus zegt van de waarheid, die tot ons komt door den Heiligen Geest, dat wij daardoor geraken tot een volwassen man, tot de maat van den vollen wasdom der volheid van Christus, opdat we niet meer onmondigen zouden zijn, maar in alles zouden opwassen tot Hem, die het Hoofd is, Christus.

In hoofdstuk 20 van het Evangelie van Johannes lezen we de woorden van den Heer Jezus tot Zijn discipelen: "Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u." En toen Hij dit gezegd had, blies Hij in hen en zeide tot hen: "Ontvangt den Heiligen Geest." Door den Heiligen Geest schonk Hij, de Opgestane, aan Zijn discipelen het opstandingsleven. Paulus heeft gezegd: "De laatste Adam werd een levendmakende geest." Jezus was de tweede mensch, uit den hemel. En hoewel de Heilige Geest nog niet op aarde was gekomen, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was, deelde Hij, de opgestane Verlosser, reeds den Geest mede. Het komt hier zoo treffend uit, dat de Geest ons voorgesteld wordt als leven. Door den Geest zouden de discipelen de kracht hebben om uit te gaan in de wereld om er van Hem te spreken; door den Geest zouden zij het onderscheidingsvermogen hebben in betrekking tot den toestand der zielen. (Joh. 20 : 23.)

De Heer Jezus heeft ons het leven gegeven, het eeuwige leven, Zijn opstandingsleven, het leven des Heiligen Geestes. Alles wat Christus heeft verworven en ontvangen is voor en van ons. Welk een rijk leven hebben we dan in Christus! Welk een overvloedig leven!

En toch - wat is het leven der geloovigen soms arm! Ze hebben het leven, maar genieten practisch er niet van; althans niet van den overvloed. Men kan jaren bekeerd zijn zonder dat eenige geestelijke groei merkbaar is. "Terwijl gij leeraars behoordet te zijn vanwege den tijd, zijt ge geworden als die melk noodig hebben." (Hebr. 5 : 12.)

God gunt ons de vette weide van Zijn Woord. Hij wil, dat we geestelijk groeien; van de volheid van het geestelijk leven genieten.

Laat dan de Heilige Geest in ons kunnen doorwerken! Niet alleen, opdat we waarachtig in Jezus zouden leeren gelooven, maar ook, opdat we, ls we gelooven, ons laten leiden en leeren en heiligen door den Geest.

De Goede Herder heeft niet alleen Zijn leven afgelegd voor de schapen, maar Hij leeft voor hen. Hij heeft niet slechts gezegd: "De Goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen," maar ook: "De Goede Herder kent de Zijnen, en wordt door de Zijnen gekend," Het is hiermede zooals het is tusschen den Vader en den Zoon: de Vader kent den Zoon en de Zoon kent den Vader. Dit nu, is het rijke, overvloedige gemeenschapsleven. En dit volle leven is een leven van overvloedige genade, van overvloedige hoop en blijdschap. Het maakt, ons overvloedig in alle goed werk, het doet ons overvloedig zijn in broederliefde. In n woord: het geeft ons een overvloedig geestescontact met Christus; een waarlijk leven in overvloed!

 

J. N. V.