OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 14

 

Alle menschen moesten zich diep schamen bij het lezen van zulk een gedeelte van Gods Woord! Hier vernemen wij het Goddelijk oordeel over de menschen.

Het verst afgeweken zijn wel zij, die in hun hart zeggen: "Er is geen God!" Voor dezulken heeft de Schrift geen anderen naam dan "dwaas." Daar is alles mee gezegd.

Ik weet niet of deze regels in handen zullen komen van iemand, die beweert, dat er geen God is; maar mocht dit zoo zijn, laat mij dan den zoodanige deze vraag doen: "Veronderstel, dat u gelijk zoudt hebben, en zij die in God gelooven, ongelijk: er is dus geen God. Wat verliezen de geloovigen nu, als zij deze aarde eens moeten verlaten? Uw antwoord kan niet anders zijn dan: Niets. Het zou dan alln blijken, dat zij zich in hun leven hebben beziggehouden met dingen, die niet bestonden. Maar veronderstel, dat u ongelijk hebt, en de geloovigen hebben gelijk, wat dan als gij sterft? Zult ge dan niet onvoorbereid voor dien grooten God staan, van Wien ge uzelf hebt willen wijsmaken, dat Hij niet bestond?''

Het Goddelijk getuigenis over den mensch is verpletterend. En toch, het kan niet anders zijn. De Heer heeft uit den hemel nedergezien op de menschenkinderen, of Hij niet n zou kunnen vinden, die verstandig ware, n, die God zocht, maar het zoekend oog van Hem, die allen en alles naspeurt, heeft er niet n kunnen vinden. Niemand, die goed doet, ook niet n! Allen verloren! Niemand uitgesloten!

Nu is dit het oordeel van God over alle menschen. Maar het moet ons toch treffen, dat de Apostel het in den brief aan de Romeinen nog eens afzonderlijk op de Joden toepast. Dat bevoorrechte volk van God op aarde is niet uitnemender, zegt hij. Een verootmoedigend bewijs, dat de godsdienstige mensch niet beter is dan de Heiden, en er dus niet anders overblijft om behouden te worden dan de genade van God in Christus Jezus. Die genade redt door het geloof in Christus, op grond van Zijn werk, van het rechtvaardig oordeel, elk, die Jezus aanneemt. Die genade zal ook straks het eenig redmiddel zijn voor het geloovig deel van Isral, op grond van hetzelfde werk van Christus. Dan echter zullen de werkers der ongerechtigheid, die geen kennis aan God hebben, die den Heer niet aanroepen, dat geloovig deel trachten op te eten, alsof ze brood aten! Toch zullen ze verschrikt zijn, omdat ze zullen merken, dat God bij Zijn volk is.

Dat laatste is ook nu zoo, en een vertroostende gedachte voor alle geloovigen, die zich openbaren in hun wandel als het zout der aarde en het licht der wereld. Het bewustzijn, dat de Heer bij Zijn volk is, ook nu, in een wereld van vijandschap en willekeur, geeft rust voor het hart: en dat is het, wat de mensch van natuur en zelfs de mensch der zonde tegenhoudt, zich in zijn volle boosheid te openbaren. De verborgenheid der wetteloosheid werkt reeds, alleen hij, die hem nu tegenhoudt, zal dit doen, totdat hij uit het midden zal weggenomen zijn. (2 Thess. 2 : 7.) Die "hij" is Gods Geest in het midden der geloovigen. Ja wrlijk, God is in het midden van Zijn volk.

Vers 6 zegt ons: "Gijlieden (die God niet vreest) beschaamt den raad des ellendigen, des verdrukten. En dat door hen te verhinderen om God te dienen naar den wensch van hun hart. Gijlieden hoont hem. Maar - de Heer is zijn toevlucht.

Zoo was het ten tijde van David; zoo zal het in de toekomst zijn voor het geloovig overblijfsel; zoo is het ook nu. De Heer is te allen tijde een toevlucht voor de Zijnen, die bemoeilijkt worden in hun dienst voor Hem.

Doch hoe bemoedigend dit ook zijn moge, het hart verlangt naar den dag der verlossing. "Och, dat Israls verlossing uit Sion kwame!" Want de macht van den vijand zal dan zijn gebroken, en de banden van het volk losgemaakt. Vreugde zal er zijn voor Jakob, en blijdschap voor Isral!

Die dag der verlossing voor Isral zal komen, wanneer de Heer komt op de wolken des hemels, met kracht en groote heerlijkheid. Die dag der verlossing uit deze wereld zal voor ns aanbreken, wanneer de Bruidegom komt in de lucht om Zijn Bruid te halen.

Heerlijk vooruitzicht!

J. A. V.