"ZIJT HEILIG, WANT IK BEN HEILIG"

 

De Apostel Petrus - de oude, trouwe herder der kudde - heeft twee wonderschoone brieven geschreven en daarmede een opdracht van zijn Meester vervuld. Tientallen jaren te voren had de Meester dit gedenkwaardige woord tot hem gesproken: "Als gij eens zult bekeerd zijn, zoo verstérk uw broederen."

Welnu, dat heeft, door de genade van God, de toen toegesprokene in rijke mate mogen doen.

Wie schrijft over den lijdenden Heiland als hij?

Wie teekent den Man van smarten als déze discipel?

Hij schildert Hem die voor het verloste volk en voor de zonden geléden heeft: "Christus heeft voor óns geleden;"- "Christus heeft voor de zónden geleden;" – "Hij-zélf heeft onze zonden in Zijn lichaam gedragen Op het hout, opdat, wij der gerechtigheid leven zouden." Dat zijn woorden van Petrus, die den Meester gezien heeft in Zijn lijden; gezien heeft, toen Hij gescholden werd en niet wederschold, toen Hij leed en niet dreigde, integendeel, het alles overgaf aan Zijn God, die rechtvaardig oordeelt. Petrus denkt ook aan de striemen: het is alsof hij de pijn ervan voelt, maar ook weet, wat de uitwerking geweest is voor hém en voor ánderen, want met den Profeet zegt hij: "Door Zijn striemen is ons genezing geworden!"

Petrus plaatst het Lam voor het hart der verlosten, en het kostbare bloed, om eraan te herinneren, hoe hóóg de prijs geweest is, die voor de verlossing betaald werd. ‘t Is niet door vergankelijke dingen, maar door het bloed, dat eeuwige waarde en eeuwige kracht heeft! 't Was alles zoo gróót; hij kon niet genoeg zeggen van het heil. "Uit onvergankelijk zaad zijt gij wedergeboren," door het levend en eeuwigblijvend Woord van God! Gij zijt een eeuwige verlossing deelachtig geworden, en een eeuwige erfenis in den hemel wacht u! Zóó schreef de zielenherder, opdat de harten der verstrooiden, die op weg waren naar het hemelsch Kanaän zouden worden vertroost en versterkt!

Maar dan was er bij dat alles toch ook nog iets anders, iets zeer gewichtigs, en dat waren ten eerste hun ervaringen in hun leven vol strijd, en dat was in de tweede plaats hun roeping tijdens hun leven als pelgrims.

Hun ervaringen.

Ze werden bedroefd door menigerlei verzoekingen, die als beproeving des geloofs hun deel werden. Doch, ook deze verkregen eeuwigheidswaarde, want ze zonden bevonden worden tot lof en eer en heerlijkheid in de openbaring van Christus. Dit was wel tot versterking van harten, die den Meester liefhadden!

Hun roeping.

Daarvan zegt de Apostel: "Die u geroepen heeft, is heilig, wordt ook gijlieden heilig in al uwen wandel!" Er staat geschreven, zegt Petrus: "Zijt heilig, want Ik ben heilig."

Een geschreven woord. Een woord uit een der heilige boeken van het Oude Verbond. Een woord uit Levitikus, het boek van den heiligen dienst, dat op zulk een aangrijpende wijze de heiligheid Gods predikt.

Dat boek kénden zij. Het lag althans binnen hun bereik. Tot heilig leven spoort het aan. Het teekent den weg der heiligheid. Het begint maar niet toevallig met een mensch, die voor God treedt met een offerande, en het besluit maar niet toevallig met geloften aan God van jongen en ouden, mannen en vrouwen! Welnu, uit dit Boek kwam het woord van Petrus tot de verstrooiden. Het is, alsof de oude herder, die in den heiligen dienst stond van den Oppersten Herder, herhalen wilde, wat de Priesters vroeger gedaan hadden, als zij bij de zegening van het volk den "Naam des Heeren" op het volk legden! Petrus legde Gods heiligen Naam op deze verlosten des Heeren. Hij spoorde ze aan tot een wandel voor hun God en Zaligmaker.

Wonderschoon verband!

Geen mystiek, die passief maakt, maar gezonde woorden Gods, die tot actie brachten. Een onderwijzing in verbinding met, den Man van smarten, die leed, maar, al lijdende, den strijd streed en zegevierde over de machten der hel.

Zoo sta de Smartendrager voor onze oogen! Hij, die ons liefheeft, en voor ons lééft, nadat Hij Voor ons gestorven is. Laat ons alles verdragen om Zijnentwil en mét Hém; en zij ons leven een heilige dienst, omdat Hij, die ons roept, heilig is, en Hij van ons verwachten mag, dat wij heilig zijn in ál onzen wandel!

 

J. T.