"DENKT NIET IN UW HART DE EEN DES ANDEREN KWAAD!"

 

De profeet Zacharia riep aan het eind van de zeventig-jarige ballingschap tweemaal het volk en zijn priesters op Gods bevel toe: "Denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad!" (Zach. 7 : 10 en 8 : 17.) Luther vertaalde dit woord: "Niemand denke tegen zijn broeder iets kwaads in zijn hart!"

In tijden van opwekking zoekt God het geweten te raken. Hij heeft alles opgemerkt, en wil nu den enkeling, den priester zoowel als den man uit het volk, tot inzicht en tot belijdenis voor God en den broeder brengen. Eerst dán kan Hij zegenen zooals Hij het wenscht.

"Niemand denke tegen zijn broeder iets kwaads in zijn hart."

Dat is ook voor ons een goed middel, om tot onze broeders in een verhouding te komen, die God gaarne ziet.

We zouden niet gaarne uitspreken, wat wij tegen dezen of genen in ons hart hebben. Dat wij kwaad denken tegen een broeder, nemen we zoo licht op. Niemand ziet of hoort het immers! "Heer! Gij weet alle dingen; Gij weet..." riep Petrus eens uit. En laten we ook Psalm 139 tot ons hart laten spreken. David komt daar in het onbedrieglijk licht van God, en roept dan uit: "Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten!"

Uit booze gedachten ontstaat kwaadspreken.

Onnoemelijk veel schade is aangericht, vriendschaps- en familiebanden, ja, heele vergaderingen, zijn verwoest geworden door de zonde van het kwaadspreken. Zulke kwaadsprekerij is als een gifgas, waartegen geen gasmaskers helpen. Met de gedachten begint het. Wij koesteren een gedachte, en staan haar toe om een scheidsmuur op te richten tusschen den broeder en ons. We geven hoe langer hoe meer gehoor aan zulk een gedachte. De rol, die wij den broeder laten spelen, wordt, steeds slechter, terwijl onze eigen rol, in overeenstemming met den in ons wonenden hoogmoed, steeds mooier wordt. Weinig bekommeren we er ons over, of dat, wat we denken, ook waar is, of we werkelijk grond hebben om boos opzet bij den broeder aan te nemen. Wij merken niet, dat we van het pad der waarheid afglijden. Dat zulke gedachten de liefde dooden, is duidelijk. Verzuimen we, deze gedachten in Gods licht te oordeelen, dan komen uit de gedachten woorden. Wij bezondigen ons jegens den broeder of de zuster, en zijn gelijk aan een mensch, die op het dak van zijn huis een zak met veeren brengt en ze daar uitschudt. De wind brengt ze verder. Maar het is onmogelijk, ze weer bijeen te verzamelen.

Zoo worden dingen gezegd, en verder doorgegeven, die niet grondig onderzocht zijn. Wij doen het werk van den aanklager der broederen. En het gevaarlijke is: nauwelijks zijn de woorden uit den mond uitgegaan, of wij zijn er geen meester meer over, en kunnen ze niet terughalen. Het onkruid, dat we gezaaid hebben, woekert voort en verbreidt zich snel.

Is dit niet ernstig voor hen, die zich kinderen van God noemen? Booze dingen over een broeder of zuster denken en verder vertellen, is een zonde, waartegen God ernstig waarschuwt.

Willen wij niet, gij en ik, in Gods licht en tegenwoordigheid onszelf in dit opzicht herhaaldelijk onderzoeken?

Hier liggen zeker vele steenen op den weg, die God verhinderen ons te zegenen. Laten we naar den broeder of de zuster toegaan, nadat we ons voor God verootmoedigd hebben, en onze zonden voor hen belijden, en hen om vergeving vragen.

Als het om zonden en misstappen van onze medebroeders gaat, is ons oordeel meestal scherp, en beroepen we ons op de heiligheid van God. Maar wat doen we ten opzichte van onszelf…? Laten we toch niet met tweeërlei maat meten! Doch willen we een onderscheid maken, laat ons dan voor onszelf de strengste maatstaf aanleggen!

O, dat ongelukkige, booze kwaadspreken! Het is de dood van de broederliefde en broederlijke gemeenschap.

Heer, toon het ons, als onze gedachten verkeerde wegen gaan, en onze hoogmoed den broeder leed doet!

"Niemand denke tegen zijn broeder iets kwaads in zijn hart."

 

Vertaald uit het Duitsch.