OVERDENKINGEN OVER DE PSALMEN

 

Psalm 13

 

In dezen korten Psalm is sprake van zielestrijd. Het hart vertrouwt op den Heer., en toch zijn er allerlei vragen.

Zullen wij David daarover hard vallen, en hem veroordeelen? Wanneer de vijand zoo langen tijd de overhand heeft, en de tegenstander zich verheugt als hij den geloovige zou zien wankelen, moet het wel zeer moeilijk zijn voor de ziel! Was het zoo niet ook bij de geloovige Hebren? Zij die de berooving hunner goederen met blijdschap hadden aangezien, hadden, door de aanhoudende vijandschap, slappe handen en matte knien gekregen. Laat het ons niet verwonderen, als we David hier hooren spreken zooals hij spreekt. Wij, die dergelijke beproevingen niet kennen, kunnen ons zoo moeilijk indenken, wat het is om vervolgd te worden.

Ik geloof, dat we ook hier weer David vinden als den mond van de geloovige Joden, die straks in de groote verdrukking zullen leven en in wier ziel dan dezelfde dingen zullen gevonden worden, waarvan deze Psalm spreekt. Het woord: "Hoe lang!'' zullen we nog mr vinden in de Psalmen. En we weten wel, dat naarmate de beproeving langer duurt, er meer volharding noodig is om staande te blijven. Het moet ons dus niet bevreemden, wanneer we het eene oogenblik de verzuchting hooren: "Hoe lang, Heere! zult Gij mij steeds vergeten" en het andere oogenblik vernemen: "Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid." Kunnen we dat geen zielestrijd noemen?

We behoeven echter, om deze of dezelfde zielservaringen te maken, ons niet in tijden van vervolging te bevinden. De gewone geloofsbeproevingen, die het deel zijn van al Gods kinderen op aarde, kunnen dezelfde gevoelens bij ons te voorschijn roepen. Hebben wij allen geen kennis aan dat woord: "Hoe lang nog?" Denken we maar eens aan de omstandigheden van den tegenwoordigen tijd! Hoe velen zien met verlangen uit naar uitkomst. Hoe dikwerf komt het "Hoe lang nog!" over de lippen. Hoeveel jonge geloovigen staan op het punt moedeloos te worden, als ze het nog niet zijn, door gebrek aan werk en vooruitzicht. Hoeveel ouderen geven den moed op en loopen gevaar, wel de woorden uit vers 2 tot de hunne te maken, maar niet die uit vers 6.

En denken we eens aan krankheid, aan lijden. Wanneer dit zoo lang duurt, bestormen dan niet dikwerf allerlei gedachten de ziel? Er staat niet tevergeefs in Hebr. 12, dat we het lijden niet gering moeten achten, maar ook niet bezwijken moeten onder de beproeving. Het is menigmaal zoo moeilijk, in al deze dingen het liefdehart en de wijsheid van den Vader te zien.

Wat we echter in dezen Psalm moeten opmerken, is het groote verschil met den vorigen. Daar voelde David zich alln onder de menschen. Hij zocht naar getrouwen en goedertierenen, maar vond ze niet. Hier echter gaat het verder, en komt hij tot den uitroep of de Heer hem zou vergeten hebben, hoe lang Hij Zijn aangezicht voor hem verbergen zou. En ja, dan komen allerlei raadslagen en overwegingen in zijn ziel op.

Dit kunnen we natuurlijk niet goed noemen; het is menschelijk; en misschien zou het leiden tot ontevredenheid. Menschelijke redeneeringen zijn niet uit het geloof, en kunnen in het licht Gods niet bestaan.

Gelukkig echter dat hij, David, dan de toevlucht neemt tot den Heer. Hij zocht op het juiste oogenblik zijn kracht in het gebed.

Verlicht mijn oogen, zegt David. Laat mij de dingen zien, Heer, niet met het natuurlijk oog, maar in uwe licht. Laat de raadslagen mijner ziel plaatsmaken voor de gedachten Uws harten. Laat niet droefenis, maar blijdschap in U mijn hart vervullen. - Als de ziel dr komt, is alle twijfel in betrekking tot 's Heeren trouw weg, en keert het lied der verlossing terug in de ziel, al zijn dan ook de beproevingen nog niet opgeheven.

Het laatste vers van onzen Psalm moet ons wel bijzonder treffen. Daaruit spreekt geloof. Maar het is dezelfde mond, die spreekt, als in vers 2. Hij zingt den Heer, en zegt niet: "De Heer zal aan mij weldoen," maar: "Hij heeft aan mij welgedaan." Dat is schoon! Moge de Heer in ons aller hart die gezindheid werken te midden van onze beproevingen, en ons doen vertrouwen op 's Heeren hulp, in de overtuiging, dat Hij de Zijnen nooit vergeet, en nimmer Zijn aangezicht voor hen verbergt.

J. A. V.