TWEE MENSCHEN VOOR GOD

 

2. De zondares aan Jezus' voeten

 

Een tweede mensch voor God, als een boetvaardige. Deze houding is de ware.

De gevoelens, die het hart van deze openbare zondares vervulden, - en die niet ontbraken, zooals bij Simon, den Farizeër - kennen we, ook wat haar aangaat, uit haar houding tegenover Jezus. Ten overvloede heeft de Meester ervoor gezorgd, dat alle onzekerheid zou plaats maken voor de grootst mogelijke zekerheid.

Van deze vrouw wordt geen enkel woord medegedeeld: wel hooren we woorden óver haar en - wat vooral zoo belangrijk is - we hooren ook de woorden van den Heiland tót haar!

"Haar vele zonden" heeft Jezus gezegd ten aanhoore van allen.

Dat woord heeft de vrouw zelf ook vernomen.

Maar het was voor haar de Goddelijke volmaakte weerklank op de klacht van haar ziel.

Ja, juist die vele zonden hadden haar zoo bedroefd!

Ze moet ze wel in Gods licht hebben gezien, al heeft ze het hoogstwaarschijnlijk niet kunnen beredeneeren.

Ze moet ze wel hebben veroordeeld voor Gods aangezicht, al heeft ze er misschien geen woord over gesproken.

Ze moet ze ook wel in verband met Jezus hebben beschouwd, al had ze ook geen uiteenzetting van Zijn waarde als Verlosser van zondaren ontvangen.

't Was alles een zaak van het hart.

't Was een besluit van haar hart - een gebroken en een verslagen hart! - om naar Jezus te gaan.

Ontzaglijk moeilijk is het voor haar geweest, omdat Jezus in het huis van den Farizeër was, en ze heeft veel moeten trotseeren, maar haar hart dreef haar, het geloof werkte, en zoo is ze dan als het ware door muren heengedrongen.

Ze had iets kostbaars bij zich, en dat kostbare was kostelijk bovendien. Neen, ze zou geen koophandel drijven! Daarbij zouden haar tranen niet hebben gepast, en daarmede was haar houding niet in overeenstemming, koopen kon ze niet en wilde ze niet! Haar zonden afkoopen was onmogelijk, en haar zielerust koopen met balsem was onbestaanbaar. Ze wilde ontvangen.

Wat zeg ik? Ze heeft ontvangen, al had ze nog niet eens een half woord van Jezus - ze wist het. Zóó zag ze het en zóó zag ze Hem! Hem is ze haar dank verschuldigd. De flesch met den kostbaren inhoud was voor Hem.

Zie haar nu aan Jezus' voeten!

Weten wij daar iets van, aan Jezus' voeten te verwijlen?

Is er wel iets wat ons aan de voeten van onzen Redder méér verootmoedigt dan onze zónden voor God?

En is er wel inniger dank dan de dank over de bereidwilligheid van Jezus om onze zonden te dragen en weg te doen?

En vloeien er dan geen tranen van berouw en dank?

Van berouw, omdat we door onze zonden God onteerden, en van dank, omdat God ons reinigde in Jezus' bloed?

Zie, dan komen ook die twee andere dingen: de balsem en de kus!

Dan is er eerbetoon, hulde, ja - aanbidding!

En - gemeenschap!

Welk een tooneel daar in Simons huis: de arme vrouw onder de harde, strenge oogen van den wetsgetrouwen Simon vindt "een tafel aangericht in 't aanschijn van den vijand," en Jezus is álles voor haar, hoewel Hij nog zwijgt. Hij aanvaardde haar tranen, haar balsem, haar kus! Welk een Meester!

Ook voor deze boetvaardige en dankbare vrouw heeft alles een bestemden tijd. De volmaakte Prediker heeft gezwegen; nu verbreekt Hij het zwijgen, en spreekt!

Zal op een oogenblik toch alles veranderen?

Ze hoort Zijn woord: "Simon! Ik heb u wat te zeggen!"

Ze verneemt Zijn opmerking over de twee schuldenaars.

Beiden werd de schuld kwijtgescholden!

Simon geeft zijn antwoord, en diens antwoord is aanleiding dat dat andere komt, dat wondere: "Ziet gij deze vrouw?"

't Gaat nu verder over haar.

Jezus heeft Zich omgekeerd en zal nu iets zeggen, dat rechtstreeks haar aangaat.

Het moet haar als hemelsche muziek in de ooren hebben geklonken, wat ze nu vernam.

Tot driemaal toe sprak Jezus er over, wat zij gedaan had, en Hij stelde er tegenover, wat Simon nagelaten had.

"Déze heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met haar haren afgedroogd!"

"Déze heeft niet opgehouden Mijn voeten te kussen."

"Déze heeft Mijn voeten met balsem gezalfd."

Hoe zéér had de Meester gewaardeerd, wat zij gedaan had!

Maar dán, dan komt, wat haar hoogsten dank te voorschijn moest roepen, nl. de uitspraak:

"Haar véle zonden zijn vergeven!"

"Zij heeft véé1 liefgehad!"

"Ja, Heer, ik heb U waarlijk lief," ruischt het in haar ziel.

"Niet véél, maar ik heb U toch waarlijk lief! Omdat Gij zijt, Die Gij zijt, en omdat ik bij U mocht uitweenen over mijn zonden, die Gij, zooals ik vast geloofd heb, vergeven wilde. En nu heb ik gehoord, dat ze vergeven zijn!''

De hemel is neergedaald, in het huis van Simon en in het hart van deze zondares. 't Was álles zoo licht en zoo heerlijk geworden! Jezus had Zijn woord over haar gesproken!

 

Zoo wordt het heerlijk en licht, wanneer wij gelooven, wat Jezus over óns zegt en wanneer het getuigenis van Hem voor ons alles is.

 

Doch er is méér.

Jezus heeft niet alleen óver haar gesproken! Hij spreekt tevens en vooral tót haar. En dit Zijn woord tót haar is een bevestiging van wat Hij reeds óver haar gezegd heeft.

Want nu volgt:

"Uw zonden zijn vergeven; uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!"

 

Laat een elk onzer - lezer en schrijver - zich een oogenblik op de plaats stellen van deze zondares.

Is bij ons het klare bewustzijn en diepe besef aanwezig, dat wij tegen God gezondigd hebben?

In Zijn licht en naar Zijn eigen maatstaf komt niet alleen in aanmerking iedere overtreding van het gebod Gods, en niet alleen wat in de samenleving der menschen als zonde gebrandmerkt wordt, maar en voorál het niet-liefhebben met, "geheel ons hart" en met "geheel ons verstand" van onzen Schepper en Weldoener en van Zijn Zoon, die álles voor het hart van Zijn Vader is; en - het niet-liefhebben van onzen naaste "gelijk onszelve." (Luk. 10 : 27.) Als we aan dit alles denken, aan den rechtvaardigen eisch van onzen God, o, hoe véle zijn dan onze zonden! Dan komen we náást "deze vrouw" en naast den apostel Paulus, die geschreven heeft: "Mij is daarom barmhartigheid geschied dat Jezus Christus aan mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betoonen tot een voorbeeld voor hen, die in Hem gelooven zullen ten eeuwigen leven." (1 Tim. 1 : 16.)

Hebben wij voor ‘s Heeren aangezicht aan Jezus' voeten deze zware zonden beweend? En hebben ook wij geloofd, dat alléén aan 's Heeren voeten delging dezer schuld voor ons te vinden was?

Indien ja, dan heeft de Redder van verlorenen ook voor óns Zijn heerlijke vertroosting: "Uw zonden, die vele waren, zijn u vergeven!"

Dan wordt ons geloof in Hem ook ons tot gerechtigheid gerekend, en hebben ook wij de verzekering, dat we behouden zijn, naar ziel en lichaam beide! Dan is de vrede met God ons deel! En evenals de kamerling kunnen we onzen weg met blijdschap reizen.

Dan is onze balsem en onze kus Hem aangenaam, evenals onze tranen het waren.

Dan hebben we Hem lief; te meer lief naarmate we meer verwezenlijken in onzen geest, dat ons "véle zonden" zijn vergeven.

Dan eeren we Hem en genieten Zijn gemeenschap.

Met de vrouw uit de stad verlaten we de sfeer van farizeesche eigengerechtigheid om te ademen in de vrijheid, waarmede Christus ons vrijgemaakt heeft.

J. T.