VRAGEN EN ANTWOORDEN

 

G. J. V. te A. vraagt wat men onder sacrament moet verstaan.

 

Het woord sacrament komt van het Latijnsche sacramentum, dat afgeleid is van sacer = heilig. Het had oorspronkelijk de beteekenis van een eed van trouw of ook van een heilige handeling. Later is het de naam geworden van "genademiddelen." In het Nieuwe Testament vinden we deze gedachte echter nergens. Wel is er sprake van teekenen, die een bevestiging en bezegeling zijn van hetgeen reeds door het geloof ons bezit is. De doop en het avondmaal zijn zulke teekenen, door Christus Zelf ingesteld.


Dezelfde vraagt, hoe de Heer Jezus in Joh. 2 : 4 kon zeggen: "Mijne ure is nog niet gekomen."

 

Het was nog niet de tijd voor den Heer, Zich als Koning van Isral te openbaren. Nochtans beschaamde Hij het geloof Zijner moeder niet, en voorzag in de behoefte aan wijn.


H. W. R. te L. vraagt naar de beteekenis van Gal. 6:6.

 

Ieder, die onderwijs ontvangt in het Woord van God, is geroepen, uit dankbaarheid dengene, die hem dit onderwijs gaf, met het tijdelijke te dienen. In Rom. 15 : 27 zegt Paulus, dat de geloovigen uit de volken, omdat zij de geestelijke goederen van de Joodsche geloovigen deelachtig waren geworden, nu ook hun schuldenaars waren geworden, d.w.z. schuldig waren, hen met de stoffelijke goederen te dienen Op andere plaatsen spreekt de Apostel van "mededeelen," "mededeelzaamheid." Als iemand ons iets leert, bijvoorbeeld een vreemde taal, betalen wij hem daarvoor. Zouden we dan niet, als we in de waarheid onderwezen worden, een belooning geven, als dit in ons vermogen is? En dan behoeft het nog geen geld te zijn: Paulus spreekt over hetgeen wij hebben: over onze "goederen."


H. J. te A. vraagt of we zeggen mogen, dat de Heer Jezus als martelaar heeft geleden.

 

Er is een groot onderscheid tusschen het lijden van Christus voor de zonde en Zijn lijden om der gerechtigheid wil. In het lijden voor de zonde was Hij alleen. Niemand kon dit lijden met Hem deelen. Niemand Hem hierin navolgen. Maar in het lijden van Christus om der gerechtigheid wil kunnen wij met Hem deelen; wanneer wij evenals Hij door de wereld worden gehaat en vervolgd, omdat wij rechtvaardigen zijn. Het is ons gegeven, niet alleen in Christus te gelooven, maar ook voor Hem te lijden. "Welgelukzalig, die vervolgd worden om der gerechtigheid wil." "Welgelukzalig zijt gij, wanneer zij u smaden en vervolgen, en liegende allerlei kwaad van u spreken om Mijnentwil." "Zoo gij verdraagt als gij goed doet en lijdt, dat is genade." "Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij welgelukzalig want de Geest der heerlijkheid rust op u."

Behalve het verzoenend lijden van den Heer en Zijn lijden om der gerechtigheid wil, was er voor Hem ook nog het lijden om alles wat hier gedurende Zijn wandel inging tegen Zijn reine, heilige natuur; om de tegenspreking der zondaren en de smadingen van hen, die God smaadden. Ook in dit lijden kunnen wij deelen. Ja, dit lijden - niet voor Hem, maar met Hem, is voor ons, geloovigen, vanzelfsprekend. Daarom zegt Paulus: "Indien wij namelijk met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden." De geloovige gevoelt de dingen hier beneden, zooals Christus ze gevoelde, en lijdt daarom met Hem. Hoort hij bijv. de zondaars spotten, Gods naam misbruiken dan lijdt hij.


Th. L. M. te 's-Gr. vraagt, hoe hij Jesaja 14 : 12 moet verstaan. Daar wordt over een morgenster gesproken, maar later wordt gezegd, dat hij nedergestooten zal worden. Christus is toch de Morgenster?

 

In 2 Petr. 1, Openb. 1 en 22 wordt gesproken over Christus als Morgenster. Maar in Jes. 14 is sprake van den tegenstander en vijand van Christus. Van den aanvang af heeft Satan nagemaakt hetgeen hij bij God ziet. God heeft een Zoon, die mensch werd; Satan zendt den mensch der zonde, den zoon des verderfs. God heeft een stad, Jeruzalem; de duivel maakt ook een stad: Babylon. God heeft een Morgenster; de duivel heeft er ook een. Ja, evenals in Ezechiel 28 de koning van Tyrus wordt voorgesteld als type van Satan, is ook de koning van Babel het in Jesaja 14: op zijn grootheid en val wordt in beide gedeelten gewezen. Hij schitterde eens als een lichtdrager, maar wilde God gelijk worden en overtreffen in glorie, met dit gevolg, dat hij werd vernederd. Hoogmoed komt vr den val.